ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ5647
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.A.C. Hofman
- R.H.M. Bruin
- J.I. de Vreese-Rood
- Rechtspraak.nl
Vergoeding inbreng privé-middelen bij woning op naam partner na beëindiging samenwoning
Partijen hadden van 2007 tot 2010 een affectieve relatie en woonden samen in een woning die volledig op naam van de vrouw stond. De woning was gefinancierd met een hypotheekschuld op naam van beiden en een inbreng van privé-middelen door de man. De man vorderde vergoeding van zijn inbreng na beëindiging van de relatie, stellende dat hij recht had op terugbetaling van het nominale bedrag.
De vrouw betwistte dit en stelde dat partijen hadden afgesproken dat zij geen schuld aan de man had en dat het risico van waardedaling voor rekening van de man kwam. Zij verwees naar de samenlevingsovereenkomst en de rol van de notaris. De rechtbank overwoog dat de hoofdregel is dat een partner die de tegenprestatie voor een goed op naam van de ander heeft betaald, recht heeft op vergoeding van het nominale bedrag, tenzij anders overeengekomen of uit redelijkheid en billijkheid anders volgt.
De rechtbank oordeelde dat uit de tekst van de samenlevingsovereenkomst en de omstandigheden niet voldoende blijkt dat partijen een dergelijke afwijkende afspraak hadden gemaakt. De vrouw kreeg de gelegenheid bewijs te leveren over haar stelling dat de man afstand had gedaan van zijn vordering, onder meer door het horen van de notaris. De beslissing over de vergoeding van de inbreng werd aangehouden. Daarnaast werd de vordering van de man tot vergoeding van te veel betaalde woonlasten deels toegewezen, maar ook hierover werd de beslissing aangehouden tot het eindvonnis.
Uitkomst: Beslissing aangehouden voor bewijslevering over afstand van vordering en verdere beoordeling van vergoeding inbreng en woonlasten.