ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ6006
Rechtbank Noord-Holland
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Betaling en retentierecht bij opzegging aanneemovereenkomst nieuwbouw appartementen
Tussen eiser en gedaagde is een aanneemovereenkomst gesloten voor de nieuwbouw van 12 appartementen, die door gedaagde is opgezegd. Eiser vordert betaling van het verschil tussen de waarde van het gerealiseerde werk en reeds betaalde bedragen. Deskundigen stelden de waarde van het werk vast op €572.609,48. Gedaagde betwist dit en voert aan dat hij teveel heeft betaald.
De voorzieningenrechter gaat uit van het deskundigenrapport en neemt de waarde van €572.609,48 als uitgangspunt. Na beoordeling van de betalingsoverzichten wordt vastgesteld dat gedaagde €504.303,62 heeft voldaan, zodat een restant van €68.305,86 verschuldigd is. De vordering wordt onder de voorwaarde van een bankgarantie toegewezen.
Ten aanzien van het retentierecht oordeelt de rechtbank dat eiser dit feitelijk heeft prijsgegeven door geen actie te ondernemen nadat gedaagde de sloten en borden had verwijderd en het terrein had opengesteld. De vordering tot herstel van het retentierecht wordt daarom afgewezen.
De reconventionele vorderingen van gedaagde worden eveneens afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van eiser.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €68.305,86 met handelsrente onder voorwaarde van bankgarantie; retentierecht is feitelijk prijsgegeven.