ECLI:NL:RBNHO:2013:CA0947

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
AWB 13/799
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding wegens onredelijk beroep in belastingzaak

In deze bestuursrechtelijke zaak betrof het geschil de hoogte van een proceskostenvergoeding na gedeeltelijke gegrondverklaring van een bezwaarschrift inzake de Wet waardering onroerende zaken. Verweerder had een proceskostenvergoeding toegekend, maar eiser stelde beroep in tegen de hoogte daarvan. Nadat verweerder aangaf dat de vergoeding te laag was vastgesteld, trok eiser het beroep in en verzocht om een afzonderlijke uitspraak over de proceskostenvergoeding.

De rechtbank overwoog dat de kosten redelijk moeten zijn en dat het inroepen van rechtsbijstand ook redelijk moet zijn geweest. Eiser had zonder rechtsbijstand verweerder kunnen informeren over de niet-vergoede omzetbelasting. Indien dit alleen via beroep bereikt kon worden, was het voor een geringe kwestie niet redelijk om rechtsbijstand in te roepen.

Daarom wees de rechtbank het verzoek tot veroordeling van verweerder in de proceskosten af. Wel werd het door eiser betaalde griffierecht van €42,- vergoed. De uitspraak werd gedaan door rechter G.W.J. Harten en is vatbaar voor hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Verzoek tot proceskostenvergoeding wordt afgewezen wegens onredelijkheid van het instellen van beroep, wel vergoeding van griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
zittingsplaats Haarlem
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 13 / 799
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2013
in de zaak van:
[X],
wonende te [Z], eiser(es),
gemachtigde: S. Smis-van Dijk te Heteren,
tegen:
Cocensus (gemeente Beverwijk, Haarlem, Haarlemmermeer, Hillegom, Oostzaan en Wormerland),
verweerder.
1. Procesverloop
1.1 Verweerder heeft bij besluit van 21 december 2012 het bezwaarschrift van eiser(es) betreffende de beschikking Wet waardering onroerende zaken met aanslagbiljetnummer [#] gedeeltelijk gegrond verklaard en heeft daarbij een proceskostenvergoeding toegekend.
1.2 Eiser(es) heeft bij brief van 30 januari 2013 beroep ingesteld tegen dit besluit. In geschil is de hoogte van de proceskostenvergoeding.
1.3 Verweerder heeft bij brief van 28 maart 2013 aangegeven dat nader onderzoek heeft uitgewezen dat de proceskostenvergoeding op een te laag bedrag is bepaald.
1.4 Eiser(es) heeft bij brief van 4 april 2013 het beroep ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep heeft eiser(es) verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.
1.5 De rechtbank heeft bij brief van 4 april 2013 verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft verweer gevoerd.
1.6 Partijen hebben desgevraagd toestemming gegeven voor afdoening van de zaak zonder zitting.
2. Overwegingen
2.1 De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in artikel 8:75 en Pro 8:75a Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
2.2 In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 Awb Pro in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.
2.3 De rechtbank stelt vast dat het beroep is ingetrokken omdat verweerder tegemoet is gekomen aan eiser(es) en eiser(es) tegelijk met de intrekking van het beroep heeft verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
2.4 Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek als verweer aangevoerd dat de kosten die eiser(es) vergoed wenst te zien niet in aanmerking komen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser(es) geen redelijke kosten heeft gemaakt met het instellen van het beroep. Eiser(es) had na ontvangst van de uitspraak op bezwaar verweerder telefonisch dan wel schriftelijk verweerder kunnen attenderen over het ten onrechte niet vergoeden van de omzetbelasting. Verweerder acht gelet op de hoge kosten van het instellen van beroep in relatie tot het geschil, te weten een bedrag van
€ 19, -, het daarom niet redelijk dat eiser(es) beroep heeft ingesteld.
2.5 Eiser(es) stelt zich op het standpunt dat het niet aan hem/haar is om verweerder erop te wijzen dat zij geen omzetbelasting over de deskundigenvergoeding heeft vergoed.
2.6 De rechtbank oordeelt als volgt.
2.7 In de woorden “redelijkerwijs heeft moeten maken” als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb wordt tot uitdrukking gebracht dat niet slechts de kosten (van rechtsbijstand) zelf redelijk dienen te zijn om voor vergoeding in aanmerking te komen, maar ook dat het inroepen van rechtsbijstand redelijk moet zijn geweest. Eiser(es) had ook zonder rechtsbijstand verweerder op de hoogte kunnen stellen van de omstandigheid dat hij geen vooraftrek genoot en dus de BTW aan hem/haar moest worden vergoed. Zo dit al slechts door het instellen van beroep kon worden bereikt, was het inroepen van rechtsbijstand voor behandeling van een dergelijk geringe kwestie niet redelijk. De rechtbank zal daarom het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen afwijzen.
2.8 Ingevolge artikel 8:41, vierde lid, Awb dient het door eiser(es) betaalde griffierecht ad € 42,- te worden vergoed door verweerder.
3. Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.J. Harten, rechter en op
in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van T. Uslu-Adigüzel, griffier.
Afschrift verzonden op: 23 mei 2013
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.