ECLI:NL:RBNHO:2013:CA1160
Rechtbank Noord-Holland
- Hoger beroep
- M.A.C. Hofman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep tegen machtiging tot opzegging arbeidsovereenkomst in faillissement
Appellant, sinds 1992 in dienst bij [A] B.V., is geconfronteerd met ontslag in het kader van het faillissement van deze vennootschap. De rechter-commissaris had de curator gemachtigd tot opzegging van de arbeidsovereenkomst, waartegen appellant in hoger beroep ging met het argument dat het ontslag kennelijk onredelijk zou zijn, onder meer vanwege vermeende omzeiling van het afspiegelingsbeginsel.
De rechtbank stelde vast dat het faillissement onafwendbaar was vanwege de verliesgevende situatie van de vennootschap en dat de bedrijfsactiviteiten waren beëindigd zonder doorstartmogelijkheden. De curator handelde conform artikel 40 Faillissementswet Pro bij het opzeggen van de arbeidsovereenkomst. De stelling van appellant dat het faillissement enkel was aangevraagd om hem te ontslaan werd niet aannemelijk bevonden.
Verder werd geoordeeld dat het afspiegelingsbeginsel niet van toepassing is bij faillissement van een zelfstandige vennootschap en dat de curator niet bevoegd is werknemers van de failliete vennootschap bij een andere vennootschap in dienst te laten treden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De curator zal echter worden aangesproken op de situatie dat twee werknemers van de failliete vennootschap bij de andere vennootschap in dienst traden, terwijl appellant op basis van dienstjaren daarvoor in aanmerking zou komen.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de machtiging tot opzegging van de arbeidsovereenkomst is ongegrond verklaard.