ECLI:NL:RBNHO:2013:CA2325
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vertraging vlucht door technisch mankement geen buitengewone omstandigheid volgens Verordening 261/2004
De passagiers vorderden compensatie van Transavia wegens een vertraging van ruim vijf uur op een vlucht van Palma de Mallorca naar Amsterdam op 11 juli 2010. Transavia weigerde betaling en stelde dat de vertraging het gevolg was van een buitengewone omstandigheid, namelijk een technisch mankement aan het bleed air-systeem dat zich na de pre-flight check voordeed.
De rechtbank behandelde de zaak na diverse schriftelijke rondes en pleidooien, mede in afwachting van prejudiciële uitspraken van het Europese Hof. De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 5 lid 3 van Pro Verordening 261/2004 en de vraag of het technische mankement als buitengewone omstandigheid kwalificeert.
De rechtbank oordeelde dat technische mankementen inherent zijn aan de normale bedrijfsvoering van een luchtvaartmaatschappij en daarom in beginsel geen buitengewone omstandigheid vormen. Dit volgt uit het Wallentin Hermann-arrest en latere jurisprudentie. Het feit dat het mankement zich na de pre-flight check voordeed, maakt dit niet anders. Het beroep van Transavia op buitengewone omstandigheden werd verworpen.
Verder wees de rechtbank het beroep van Transavia op overschrijding van de klachttermijn af en wees het verzoek om aanhouding af. Transavia werd veroordeeld tot betaling van € 250 per passagier, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Transavia wordt veroordeeld tot betaling van compensatie aan passagiers wegens vluchtvertraging door technisch mankement dat geen buitengewone omstandigheid vormt.