Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[naam gedaagde],statutair gevestigd te [plaats] en kantoor houdende te [plaatsnaam],
Rechtbank Noord-Holland
De werknemer was van december 2012 tot juli 2014 in dienst bij de werkgever met een concurrentiebeding dat een jaar na beëindiging van het dienstverband geldt. Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst en een burn-outperiode wilde de werknemer bij een concurrerende onderneming gaan werken, maar de werkgever weigerde hiervoor toestemming.
De werknemer vorderde in kort geding de schorsing van het concurrentiebeding en een voorschot op een vergoeding, stellende dat het beding haar onredelijk beperkt in haar arbeidskeuze en dat haar positie is verslechterd door haar ziekteperiode. De werkgever vorderde in reconventie naleving van het beding en dwangsommen bij overtreding.
De kantonrechter oordeelde dat het concurrentiebeding rechtsgeldig is en dat het belang van de werkgever bij bescherming van unieke inkoopkennis zwaarder weegt dan het belang van de werknemer bij het aanvaarden van de nieuwe functie. Er was onvoldoende aanleiding te verwachten dat de bodemrechter het beding zal vernietigen. De vorderingen van de werknemer en werkgever werden afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: De vorderingen tot schorsing van het concurrentiebeding en betaling van een voorschot worden afgewezen; proceskosten worden gecompenseerd.