Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
4.Beslissing
30 januari 2014.
Rechtbank Noord-Holland
Verdachte werd verdacht van betrokkenheid bij de teelt en aanwezigheid van hennepplanten en diefstal van elektriciteit in de periode juli 2009 tot januari 2010. De zaak werd pas in december 2012 bij het parket ingeboekt, terwijl verdachte in januari 2010 in verzekering was gesteld. Gedurende deze periode kreeg de verdediging steeds te horen dat er geen zaak tegen verdachte liep.
De verdediging voerde aan dat hierdoor het vertrouwensbeginsel werd geschonden en dat de redelijke termijn was overschreden, waardoor het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moest worden verklaard. Het OM betoogde dat termijnoverschrijding in de strafmaat kon worden verwerkt en dat het vertrouwensbeginsel niet van toepassing was omdat geen formeel verzoek was ingediend.
De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn ruimschoots was overschreden en dat het gerechtvaardigde vertrouwen van verdachte dat zij niet zou worden vervolgd, in combinatie met de termijnoverschrijding, een ernstige inbreuk op de procesorde vormde. Daarom werd het OM niet ontvankelijk verklaard in de vervolging.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet ontvankelijk verklaard wegens schending van de redelijke termijn en het vertrouwensbeginsel.