In deze civiele bodemzaak staat de geldigheid van een testamentaire bepaling centraal die bepaalt dat vorderingen wegens overbedeling van de langstlevende echtgenoot direct opeisbaar worden bij hertrouwen zonder huwelijksvoorwaarden. De langstlevende echtgenote was hertrouwd zonder huwelijksvoorwaarden, waarna de erfgenaam haar vordering opeiste. De langstlevende stelde dat de bepaling nietig was wegens strijd met goede zeden en openbare orde en dat de vordering was verjaard.
De rechtbank stelt dat de testeervrijheid haar grenzen vindt bij strijd met goede zeden of openbare orde, maar dat maatschappelijke opvattingen destijds en nu niet leiden tot nietigheid van de hertrouwbepaling. De bepaling laat ruimte voor hertrouwen met huwelijksvoorwaarden zonder opeisbaarheid, waardoor de persoonlijke levenssfeer niet onaanvaardbaar wordt beperkt.
Verder is de gestelde afspraak dat de erfgenaam afstand zou doen van haar vordering niet komen vast te staan. De rechtbank oordeelt dat de vordering niet verjaard is omdat de verjaringstermijn van twintig jaar geldt en pas bij hertrouwen in 2000 aanving. De hoogte van de vordering is voldoende onderbouwd en de betwisting onvoldoende gemotiveerd.
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond, bevestigt het verstekvonnis en veroordeelt de langstlevende in de proceskosten.