ECLI:NL:RBNHO:2014:2393

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
4 februari 2014
Publicatiedatum
19 maart 2014
Zaaknummer
AWB-13_5179 en 14-316
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bij opschorting en intrekking bijstandsuitkering wegens onduidelijkheid hoofdverblijf

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het opschortingsbesluit en het intrekkings- en beëindigingsbesluit van zijn bijstandsuitkering door de gemeente Zaanstad. Het eerste verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het opschortingsbesluit was komen te vervallen door het intrekkingsbesluit.

Het tweede verzoek betrof de vraag of verzoeker zijn hoofdverblijf daadwerkelijk had op het opgegeven adres in de gemeente Zaanstad. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij op dat adres woonde. Dit bleek onder meer uit het vrijwel lege appartement, het zeer lage energie- en waterverbruik, verklaringen van buren die verzoeker niet zagen en transacties die vooral in Amsterdam plaatsvonden.

De voorzieningenrechter wees het tweede verzoek daarom af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen opschorting is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek tegen intrekking is afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het hoofdverblijf.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
Zaaknummer: HAA 13/5179 en 14/316
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter ter zitting van 4 februari 2014 in de zaken tussen

[verzoeker]

wonende te [woonplaats],
verzoeker,
gemachtigde in de zaak met nr. 13/5179 mr. R.A. Dayala
gemachtigde in de zaak met nr. 14/316 mr. B. Mous
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2013 (het eerste primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die verzoeker ontvangt in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) ingaande 2 december 2013 opgeschort, omdat er onduidelijkheid bestaat over verzoekers woonsituatie.
Verzoeker heeft tegen dit primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nr. HAA 13/5179.
Bij besluit van 29 januari 2014 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nr. HAA 14/552.
Bij besluit van 9 januari 2014 (het tweede primaire besluit) heeft verweerder de Wwb-uitkering van verzoeker per 2 december 2013 beëindigd, omdat verzoeker de gevraagde gegevens niet heeft ingeleverd. Ook wordt verzoekers uitkering per 13 december 2012 ingetrokken, omdat niet is gebleken dat verzoeker zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Zaanstad.
Tegen dit primaire besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Hij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nr. HAA 14/316.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. M.G. Böhm.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het verzoek om voorlopige voorziening met nr. 13/5179 niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening met nr. 14/316 af.

Overwegingen

1.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.
Het verzoek om voorlopige voorziening met nr. 13/5179 heeft betrekking op het besluit van verweerder van 6 december 2013 waarbij verzoekers Wwb-uitkering is opgeschort. Dit opschortingsbesluit is echter komen te vervallen, nu verweerder bij besluit van 9 januari 2014 de Wwb-uitkering van verzoeker heeft beëindigd en ingetrokken. Dit betekent dat verzoeker geen procesbelang meer heeft bij voormeld verzoek om voorlopige voorziening. Gelet hierop verklaart de voorzieningenrechter dit verzoek niet-ontvankelijk.
3.
Verzoeker heeft een spoedeisend belang bij het verzoek om voorlopige voorziening met nr. 14/316. Dit verzoek is gericht op verweerders intrekkings- en beëindigingsbesluit van 9 januari 2014. In dit verband is van belang het antwoord op de vraag of verzoeker daadwerkelijk zijn hoofdverblijf heeft op het adres [adres].
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet aannemelijk is dat verzoeker zijn hoofdverblijf heeft op voormeld adres. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting zijn, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, voldoende aanwijzingen naar voren gekomen die erop duiden dat verzoeker niet zijn hoofdverblijf heeft op het adres[adres]. Het gaat in casu om de volgende aanwijzingen, die de voorzieningenrechter zowel apart als in onderlinge samenhang heeft beoordeeld.
- De woning van verzoeker is nagenoeg geheel leeg. Verzoeker heeft dit weliswaar ter zitting betwist, maar de voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te twijfelen aan de waarnemingen die door twee medewerkers van verweerder in verzoekers woning zijn gedaan.
  • Er is in verzoekers woning sprake van een zeer gering energieverbruik. Met name het waterverbruik is zeer laag. Dit strookt niet met verzoekers bewering dat hij daadwerkelijk in de woning overnacht.
  • Drie buren hebben een verklaring afgelegd waaruit naar voren komt dat zij verzoeker vrijwel nooit in de woning zien. Het is een gehorige flat. De buren verklaren echter dat zij nooit enig geluid in verzoekers woning horen.
6.
Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening met nr. 14/316 afwijst.
7.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
8.
De voorzieningenrechter deelt tot slot mede dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier, op 4 februari 2014.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op: