Uitspraak
€ 18.030,83) in totaal € 149.756,91.
Rechtbank Noord-Holland
Veroordeelde is bij vonnis veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van 1814 hennepplanten in een pand te Zandvoort. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €153.384,91, gebaseerd op de opbrengst van één oogst. Veroordeelde voerde verweer dat er meerdere oogsten waren geweest, waarvan één mislukt, en dat kosten in mindering gebracht moesten worden, wat de rechtbank verwierp.
De rechtbank stelde vast dat de hennepkwekerij was aangetroffen met 1814 planten en dat veroordeelde ten minste voordeel had genoten van één volledige oogst. Kosten voor mislukte oogsten werden als bedrijfsrisico aangemerkt en niet in mindering gebracht, terwijl kosten voor knippers en huisvesting wel werden afgetrokken. Dit leidde tot een berekend wederrechtelijk voordeel van €149.756,91.
De rechtbank verwierp het verweer dat de redelijke termijn was overschreden en oordeelde dat er geen aanwijzingen waren dat veroordeelde onvoldoende draagkracht heeft om aan de betalingsverplichting te voldoen. De ontnemingsmaatregel werd opgelegd op grond van artikel 36e Sr en veroordeelde werd verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen.
Uitkomst: Veroordeelde wordt veroordeeld tot betaling van €149.756,91 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.