Uitspraak
22 april 2014 in de zaak tegen:
Rechtbank Noord-Holland
De rechtbank Noord-Holland heeft op 6 mei 2014 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van de invoer van 1.967 gram cocaïne via luchthaven Schiphol. Uit het onderzoek bleek dat verdachte als contactpersoon fungeerde tussen de opdrachtgevers van het cocaïnetransport en medeverdachten die in contact stonden met een luchthavenmedewerker die de drugs moest onderscheppen.
De bewijsvoering bestond onder meer uit stemanalyses, sms-berichten en telefonische contacten die tussen verdachte en zijn medeverdachten werden gevoerd. Ondanks het verweer van verdachte dat hij niet de verzender of ontvanger was van bepaalde sms-berichten, wees de rechtbank dit af op basis van observaties en stemanalyses.
De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 28 juni 2013 samen met anderen de cocaïne opzettelijk binnen Nederland heeft gebracht. Gelet op de ernst van het feit en de rol van verdachte legde de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden op, waarbij rekening werd gehouden met persoonlijke omstandigheden zoals het recente overlijden van de vrouw van verdachte.
Daarnaast werden diverse in beslag genomen voorwerpen verbeurd verklaard en onttrokken aan het verkeer. De rechtbank concludeerde dat verdachte strafbaar was en veroordeelde hem conform de bewezenverklaring.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van invoer van 1.967 gram cocaïne via Schiphol.