Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],
Rechtbank Noord-Holland
In deze zaak stond de relatieve bevoegdheid van de kinderrechter te Haarlem centraal voor zogenoemde Schipholkinderen die met hun ouder(s) de Nederlandse nationaliteit hebben en in Nederland wonen. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om voorlopige voogdij over een minderjarige die in een pleeggezin verbleef, omdat de moeder gedetineerd was en de vader nog gescreend werd.
De ouders voerden aan dat de rechtbank in Haarlem onbevoegd was en dat er geen grond was voor voorlopige voogdij omdat de moeder haar gezag kon uitoefenen vanuit detentie en zij gezamenlijk gezag wilden. De Stichting Nidos benadrukte de noodzaak van voogdij vanwege de ontwikkelingsachterstand van het kind en de nog lopende screening van de vader.
De kinderrechter oordeelde dat de rechtbank Haarlem bevoegd is op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag en artikel 265 Rv Pro, omdat spoedvoorzieningen noodzakelijk zijn en de werkelijke verblijfplaats van het kind bepalend is. De voorlopige voogdij werd terecht ingesteld vanwege de onoverzichtelijke noodsituatie na de aanhouding van de moeder. De voogdij werd bekrachtigd tot 14 maart 2014, met een termijn voor afronding van de screening van de vader en ruimte voor ouders om het gezag te regelen.
Uitkomst: De voorlopige voogdij over de minderjarige wordt bekrachtigd tot 14 maart 2014 en daarna opgeheven.