ECLI:NL:RBNHO:2014:9636
Rechtbank Noord-Holland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen hoogte griffierecht bij vordering van onbepaalde waarde
Een advocaat diende verzet in tegen de door de griffier vastgestelde griffierechten van €1.519 in een procedure waarbij namens zijn cliënt een verdeling van nalatenschappen werd gevorderd. De advocaat stelde dat het griffierecht onterecht hoog was vastgesteld omdat de vordering niet strekte tot betaling van een geldsom, maar tot vaststelling van de wijze van verdeling van nalatenschappen, waardoor een lager griffierecht van €282 van toepassing zou zijn.
De rechtbank overwoog dat de Wet griffierechten burgerlijke zaken strikt moet worden uitgelegd en dat alleen bij vorderingen die daadwerkelijk betaling van een geldsom beogen, het griffierecht aan het financiële belang wordt gekoppeld. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad onder de oude Wet tarieven burgerlijke zaken en is niet gewijzigd met de nieuwe wet.
Hoewel in de dagvaarding een bedrag werd genoemd dat de eiser zou ontvangen bij een bepaalde verdeling, strekte de vordering niet tot daadwerkelijke betaling van dat bedrag. Het ging slechts om een indicatie van de mogelijke verdeling. Daarom was het verzet gegrond en werd het griffierecht vastgesteld op €282, het tarief voor een vordering van onbepaalde waarde.
De rechtbank verklaarde het verzet van de advocaat gegrond en bepaalde dat het griffierecht in de procedure op €282 wordt vastgesteld. De beschikking werd uitgesproken op 25 september 2014 door rechter J.H. Gisolf.
Uitkomst: Het verzet tegen het te hoge griffierecht wordt gegrond verklaard en het griffierecht wordt vastgesteld op €282.