De rechtbank Noord-Holland heeft op 10 februari 2015 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het opzettelijk invoeren van een hoeveelheid cocaïne via Schiphol. De dagvaarding was geldig en de rechtbank was bevoegd de zaak te behandelen. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 24 maanden.
De bewezenverklaring werd gebaseerd op de bekennende verklaring van verdachte, het proces-verbaal van aanhouding en onderzoek, en het deskundigenrapport van het Douane Laboratorium. Verdachte had 2102 gram cocaïne ingevoerd, een hoeveelheid die bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Er waren geen omstandigheden die de strafbaarheid uitsloten.
De rechtbank hield rekening met het eerdere strafblad van verdachte voor opiumdelicten en het feit dat hij het delict pleegde tijdens een proeftijd. Hoewel verdachte psychische problemen aangaf, wees het reclasseringsrapport dit af. De rechtbank achtte de strafeis passend en veroordeelde verdachte tot 24 maanden gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis.