Uitspraak
7 januari 2015 in de zaak tegen:
Rechtbank Noord-Holland
Op 18 oktober 2014 heeft verdachte opzettelijk een hoeveelheid cocaïne binnen het grondgebied van Nederland gebracht via Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Verdachte heeft dit ten laste gelegde feit bekend, maar voerde een beroep op psychische overmacht aan, stellende dat zij onder dwang of bedreiging handelde. De rechtbank heeft dit verweer echter verworpen wegens onvoldoende concrete aanwijzingen.
De rechtbank baseerde haar oordeel op de bekennende verklaring van verdachte, het proces-verbaal van aanhouding en onderzoek naar verdovende middelen, alsmede het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut. De strafbaarheid van het feit werd bevestigd op grond van artikel 2 en Pro 10 van de Opiumwet.
De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van zes maanden met aftrek van het voorarrest. De verdediging vroeg om een straf gelijk aan het voorarrest, rekening houdend met de omstandigheden rondom het beroep op psychische overmacht. De rechtbank legde uiteindelijk een gevangenisstraf van zes maanden op, waarbij het voorarrest in mindering werd gebracht.
De rechtbank benadrukte de ernst van het feit, de schadelijkheid van cocaïne voor de volksgezondheid, en het feit dat de hoeveelheid bestemd was voor verdere verspreiding en handel. Ook wees de rechtbank op de samenhang tussen drugshandel en andere vormen van criminaliteit. Het beroep op psychische overmacht en strafmaatverweer werden verworpen, en de opgelegde straf kwam overeen met de gebruikelijke strafmaat voor dergelijke feiten.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest voor het opzettelijk invoeren van cocaïne.