ECLI:NL:RBNHO:2015:1052

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 januari 2015
Publicatiedatum
16 februari 2015
Zaaknummer
15/821035-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens invoer van cocaïne te Schiphol ondanks beroep op psychische overmacht

Op 18 oktober 2014 heeft verdachte opzettelijk een hoeveelheid cocaïne binnen het grondgebied van Nederland gebracht via Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Verdachte heeft dit ten laste gelegde feit bekend, maar voerde een beroep op psychische overmacht aan, stellende dat zij onder dwang of bedreiging handelde. De rechtbank heeft dit verweer echter verworpen wegens onvoldoende concrete aanwijzingen.

De rechtbank baseerde haar oordeel op de bekennende verklaring van verdachte, het proces-verbaal van aanhouding en onderzoek naar verdovende middelen, alsmede het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut. De strafbaarheid van het feit werd bevestigd op grond van artikel 2 en Pro 10 van de Opiumwet.

De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van zes maanden met aftrek van het voorarrest. De verdediging vroeg om een straf gelijk aan het voorarrest, rekening houdend met de omstandigheden rondom het beroep op psychische overmacht. De rechtbank legde uiteindelijk een gevangenisstraf van zes maanden op, waarbij het voorarrest in mindering werd gebracht.

De rechtbank benadrukte de ernst van het feit, de schadelijkheid van cocaïne voor de volksgezondheid, en het feit dat de hoeveelheid bestemd was voor verdere verspreiding en handel. Ook wees de rechtbank op de samenhang tussen drugshandel en andere vormen van criminaliteit. Het beroep op psychische overmacht en strafmaatverweer werden verworpen, en de opgelegde straf kwam overeen met de gebruikelijke strafmaat voor dergelijke feiten.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest voor het opzettelijk invoeren van cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/821035-14 (P)
Uitspraakdatum: 21 januari 2015
Tegenspraak
Vonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
7 januari 2015 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te Curaçao,
wonende te [woonplaats] (Curaçao), [adres],
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Nieuwersluis.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E. van Doorn, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. R.I. van Haneghem, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 18 oktober 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Bewijs
3.1. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2. Redengevende feiten en omstandigheden [1]
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding d.d. 18 oktober 2014 (dossierpagina 1-4);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 18 oktober 2014 (p. 41-45);
- het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 12 november 2014 met zaaknummer 2014.10.21.100 (aanvraag 001).
3.3. Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 18 oktober 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van verdachte
Ter terechtzitting is door de raadsman uiteengezet dat verdachte onder dwang/bedreiging overgegaan is tot het drugstransport, op grond waarvan haar een beroep op psychische overmacht toekomt. Derhalve verzoekt de raadsman dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende geconcretiseerd en aannemelijk gemaakt dat verdachte tot het transport van de cocaïne is gedwongen. De inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting bieden onvoldoende aanknopingspunten daartoe, zodat de rechtbank dit verweer zal verwerpen.
Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
6.1. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest.
6.2. Standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft bepleit dat, voor zover het beroep op psychische overmacht niet slaagt, wel met de in dat kader gestelde omstandigheden rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de strafmaat. Volgens de raadsman dient een straf gelijk aan het voorarrest te worden opgelegd.
6.3. Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer 0,51 kilogram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht tot uitgangspunt genomen. Om dezelfde redenen als waarom de rechtbank het beroep op psychische overmacht heeft verworpen, wordt ook het stafmaatverweer verworpen. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de straf die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur dient te worden opgelegd.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
2 en 10 van de Opiumwet.
8. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3. weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij;
bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES (6) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzitter,
mr. J.A.M. Jansen en mr. T. Fuchs, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Zeeman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 januari 2015.
Mr. Fuchs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.De door de rechtbank als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.