Uitspraak
7 januari 2015 in de zaak tegen:
Rechtbank Noord-Holland
Op 14 oktober 2014 heeft verdachte opzettelijk ongeveer 3992,6 gram cocaïne het Nederlandse grondgebied binnengebracht via Schiphol. De rechtbank heeft het ten laste gelegde feit bewezen verklaard op basis van een bekennende verklaring van verdachte en diverse proces-verbalen, waaronder een laboratoriumrapport.
Verdachte werd strafbaar geacht omdat er geen omstandigheden waren die de wederrechtelijkheid van het handelen uitsloten. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 36 maanden, terwijl de verdediging wees op persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de schadelijkheid van cocaïne en de hoeveelheid die bestemd was voor handel en verdere verspreiding. Tevens werden de richtlijnen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht gevolgd. Gezien het ontbreken van eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten, werd de strafmaat iets lager vastgesteld.
Uiteindelijk werd verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van de reeds doorgebrachte voorlopige hechtenis. Verdachte werd vrijgesproken van overige ten laste gelegde feiten die niet bewezen konden worden.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf voor het opzettelijk invoeren van bijna 4 kilogram cocaïne.