ECLI:NL:RBNHO:2015:1100

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
17 februari 2015
Publicatiedatum
16 februari 2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen handhavingsbesluit schoonheidssalon

Verzoekster exploiteert een schoonheidssalon in een bijgebouw op het perceel waar haar ouders wonen. De gemeente Zandvoort heeft bij besluit van 9 december 2014 handhavend opgetreden omdat het gebruik van het pand als schoonheidssalon strijdig is met het bestemmingsplan dat uitsluitend wonen en aan huis gebonden beroepen toestaat.

Verzoekster betoogt dat het gebruik valt onder aan huis gebonden beroep en onder overgangsrecht valt omdat de salon er al was vóór het bestemmingsplan van 2003. Tevens stelt zij dat er sprake is van willekeur omdat tegen anderen niet wordt opgetreden. De voorzieningenrechter constateert echter dat verzoekster sinds 2009 niet meer op het perceel woont, waardoor het gebruik niet meer als aan huis gebonden kan worden aangemerkt en het overgangsrecht niet van toepassing is.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het handhavingsbesluit naar verwachting in bezwaar stand zal houden en dat verzoekster onvoldoende heeft geconcretiseerd waarom het verbod op willekeur van toepassing zou zijn. Ook is geen spoedeisend belang aangetoond. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het handhavingsbesluit wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 15/5

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 februari 2015 in de zaak tussen

[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort, verweerder
(gemachtigde: J.C. Binnerts).

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekster gelast om het strijdige gebruik van de schoonheidssalon in het bijgebouw op het perceel [adres] te staken en gestaakt te houden, binnen een maand na verzending van het besluit op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 5.000,- ineens.
Bij brief van 31 december 2014 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter in verband met het besluit verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brief van 5 januari 2015 aan de rechtbank heeft verweerder aangegeven de werking van het bestreden besluit op te schorten tot twee weken na de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening.
Bij brief van 7 januari 2015 heeft verzoekster te kennen gegeven haar werkzaamheden in het schuurtje zal staken tot de verwikkelingen met de gemeente voorbij zijn.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 februari 2015 op zitting behandeld. Verzoekster is in persoon verschenen, samen met haar vader en moeder. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Op het perceel aan de [adres] staat de woning waar de ouders van verzoekster wonen en waar verzoekster ook tot 2009 heeft gewoond. Op het perceel staat een bijgebouw waarin verzoeksters schoonheidssalon is gevestigd. Volgens verzoekster dateert dit gebruik als schoonheidssalon al van vóór 2003.
2. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder heeft besloten om handhavend op te treden omdat op het perceel op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan [straatnaam] 2003 de bestemming W1B (woondoeleinden) rust en volgens verweerder is op gronden met die bestemming het drijven van een schoonheidssalon niet toegestaan.
3. Volgens verzoekster valt het drijven van een schoonheidssalon aan te merken als de uitoefening van een aan huis gebonden beroep, hetgeen wel is toegestaan.
Verzoekster stelt zich voorts op het standpunt dat het gebruik onder het overgangsrecht valt, omdat de schoonheidssalon er al was op het moment dat het huidige bestemmingsplan in werking is getreden (2003). Tevens stelt verzoekster zich op het standpunt dat er sprake is van willekeur, omdat tegen anderen die niet meer wonen waar ze hun beroep uitoefenen in Zandvoort niet wordt opgetreden.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat op het perceel waar de schoonheidssalon is gevestigd de bestemming WIB (woondoeleinden) rust. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat uit de artikelen 1, 3 en 4 van de planvoorschriften -voor zover van belang- volgt dat de gronden waarop die bestemming rust onder meer gebruikt mogen worden voor wonen en aan huis-gebonden beroepen. Uit artikel 21, tweede lid, van de planvoorschriften volgt -voor zover van belang- dat strijdig gebruik onder bepaalde voorwaarden mag worden voortgezet, zolang en voor zover dat gebruik naar aard en omvang niet wordt vergroot.
5. Vast staat dat verzoekster in 2009 uit het ouderlijk huis is vertrokken. Vanaf dat moment was dus in ieder geval geen sprake meer van een aan huis gebonden schoonheidssalon, noch van het ongewijzigd voortzetten van het strijdige gebruik zonder de aard en omvang te vergroten. De voorzieningenrechter ziet daarom vooralsnog geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand zal houden. Verzoeksters beroep op het verbod op willekeur maakt dat niet anders, omdat verzoekster haar stellingen op dit punt onvoldoende heeft geconcretiseerd.
6. Naar aanleiding van verzoeksters stelling dat niemand last heeft van haar schoonheidssalon, overweegt de voorzieningenrechter dat volgens vaste rechtspraak als regel geldt dat gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, in het geval van een overtreding van (bijvoorbeeld) bestemmingsplanvoorschriften, het desbetreffende bestuursorgaan zal
moetenoptreden. Deze regel brengt tot uitdrukking dat inbreuken op wettelijke voorschriften afbreuk doen aan de situatie of toestand die de wetgever met het oog op het algemene en/of het specifieke belang heeft willen bereiken. Voort moet ook niet uit het oog worden verloren dat het niet-handhaven van inbreuken kan leiden tot ongewenste precedentwerking. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van genoemde regel worden afgeweken. Een zodanige omstandigheid is niet het feit dat, naar verzoekster stelt, niemand last van de overtreding heeft.
7. Verzoekster heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt of op grond waarvan aannemelijk is dat sprake is van een financiële noodsituatie of dat zo’n situatie dreigt door de sluiting van de schoonheidssalon. Bovendien heeft verzoekster ter zitting aangegeven dat er geen sprake is van dringende schulden en dat ze inmiddels tijdelijk een andere ruimte heeft gehuurd om de continuïteit van haar salon te kunnen waarborgen. Gelet hierop is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken dat sprake is van een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
8. Nu het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar stand zal houden en nu niet is gebleken van een spoedeisend belang, zal de voorzieningenrechter het verzoek afwijzen.
9. Bij deze beslissing bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2015.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.