De werknemer verzocht de kantonrechter om het ontslag op staande voet te vernietigen en doorbetaling van loon, stellende dat het ontslag niet onverwijld is gegeven en dat het gesprek waarbij het ontslag zou zijn medegedeeld niet heeft plaatsgevonden. De werkgever betwistte dit en stelde dat het ontslag op 17 september 2015 is gegeven na een gesprek waarin de redenen zijn toegelicht. De kantonrechter oordeelde dat de werkgever de bewijslast draagt voor het bestaan van dit gesprek en liet bewijslevering toe.
Daarnaast deed de werkgever een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen van de werknemer, waaronder herhaald te laat komen en drugsgebruik tijdens werktijd. De kantonrechter stelde vast dat de werknemer ondanks waarschuwingen zijn gedrag niet verbeterde en dat herplaatsing niet in de rede lag. De ontbinding werd toegewezen met ingang van 1 februari 2016, de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij reguliere opzegging zou zijn geëindigd.
De kantonrechter oordeelde dat de werknemer recht heeft op een transitievergoeding van €17.195,- bruto, omdat de verwijtbaarheid niet ernstig genoeg was om deze te weigeren. De vergoeding wordt pas opeisbaar als vaststaat dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. De beslissing tot bewijslevering en aanhouding van verdere beslissingen werd eveneens genomen.