ECLI:NL:RBNHO:2015:11813

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
26 oktober 2015
Publicatiedatum
19 januari 2016
Zaaknummer
15.005184
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 8 EVRMArt. 312 SrArt. 27 Wet Wapens en Munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift gegrond verklaard tegen verwerking DNA-profiel jeugdige medeplichtige

Op 7 augustus 2015 is op bevel van de officier van justitie celmateriaal afgenomen van een toen 14-jarige veroordeelde, die medeplichtig was aan diefstal met geweld. Tegen de verwerking van zijn DNA-profiel werd een bezwaarschrift ingediend, dat op 26 oktober 2015 in raadkamer werd behandeld. De veroordeelde verscheen in persoon, bijgestaan door zijn advocaat.

De rechtbank overwoog dat het bevel tot afname van DNA was gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en dat er geen sprake was van schending van het recht op onaantastbaarheid van het lichaam volgens artikel 8 EVRM Pro. Hoewel de wet geen generieke uitzondering voor minderjarigen kent, moest worden beoordeeld of verwerking van het DNA-profiel redelijkerwijs van belang kon zijn voor opsporing en vervolging.

Gezien de geringe rol van de veroordeelde, zijn jeugdige leeftijd en het feit dat het om een eenmalig incident ging, achtte de rechtbank verwerking van het DNA-profiel disproportioneel en niet van betekenis voor toekomstige opsporing. Daarom werd het bezwaarschrift gegrond verklaard en werd de officier van justitie bevolen het celmateriaal te vernietigen.

Uitkomst: Het bezwaarschrift van de jeugdige veroordeelde tegen de verwerking van zijn DNA-profiel is gegrond verklaard en het celmateriaal dient te worden vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie Alkmaar
Enkelvoudige raadkamer
Registratienummer: 15.005184
Parketnummer: 15/760010-15
Uitspraakdatum: 26 oktober 2015
Beschikking(art. 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden)

1.Ontstaan en loop van de procedure

Op 18 september 2015 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een door mr. A. de Visser ingediend bezwaarschrift, gedateerd 18 september 2015, van
[veroordeelde] ,veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [woonplaats] ,
domicilie kiezende aan de [adres] , [vestigingsplaats] , ten kantore van mr. A. de Visser, advocaat,
Het bezwaarschrift is gericht tegen het nader bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, ten behoeve waarvan op bevel van de officier van justitie te Haarlem van 7 augustus 2015 op
9 september 2015bij veroordeelde celmateriaal is afgenomen.
Op 26 oktober 2015 is dit bezwaarschrift in raadkamer behandeld.
Veroordeelde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. de Visser, voornoemd.
Tevens waren aanwezig de vader van veroordeelde en de officier van justitie mr. Y.M. Eising.
Van het verhandelde in raadkamer is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.

2.Standpunten

Het standpunt van veroordeeldekomt er - zakelijk weergegeven - op neer, dat:
  • verwerking van zijn DNA-profiel – gelet op de omstandigheden – in redelijkheid niet van betekenis zou kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten;
  • verwerking van zijn DNA-profiel onder deze omstandigheden zelfs disproportioneel zou zijn;
  • er sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals blijkt uit het raadsrapport en uit de opgelegde bestraffing. Veroordeelde was 14 jaar en 2 maanden op de pleegdatum. Hij heeft een busje pepperspray aan een andere jongen gegeven die dat heeft gebruikt bij de beroving van een vrouw. Veroordeelde wist niet dat de pepperspray daarvoor gebruikt zou worden;
  • de zaak buiten de kinderrechter om had kunnen worden afgedaan;
  • bij volwassenenstrafrecht vaker wordt uitgegaan van geldboetes in plaats van een onvoorwaardelijke werkstraf, zodat dan geen sprake zou zijn geweest van bevel afname DNA;
  • de kans op recidive laag is op grond van raadsrapport;
  • het van belang is dat veroordeelde niet onnodig gecriminaliseerd wordt.
Het standpunt van de officier van justitieluidt, zakelijk weergegeven, dat de grens tussen medeplegen en medeplichtigheid bij minderjarigen anders ligt dan die bij meerderjarigen. Gezien de leeftijd van veroordeelde verzoekt de officier van justitie het klaagschrift gegrond te verklaren.

3.Beoordeling

Het bevel van de officier van justitie tot afname van DNA materiaal van 7 augustus 2015 is gegrond op artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, waarbij als grondslag heeft gediend de veroordeling van veroordeelde op 23 juni 2015 door de kinderrechter in deze rechtbank ter zake van medeplichtigheid aan diefstal met geweld (artikel 312 Wetboek Pro van Strafrecht) en overtreding van artikel 27 Wet Pro Wapens en Munitie.
Veroordeelde heeft op 9 september 2015 middels afname van wangslijmvlies celmateriaal afgestaan ten behoeve van DNA-onderzoek.
Het bezwaarschrift dat veroordeelde heeft ingediend tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel is tijdig ingediend.
Ingevolge artikel 8 EVRM Pro heeft belanghebbende het (grond)wettelijke recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat alleen dan inbreuk op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam kan worden gemaakt, indien zulks bij of krachtens wet is voorzien. Nu artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in het afnemen van celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek voorziet, is er geen sprake van schending van artikel 8 EVRM Pro.
In op 13 mei 2008 gewezen arresten stelt de Hoge Raad voorop dat tekst, alsmede doel en strekking van de Wet als uitgangspunt hebben dat bij
iedere veroordeeldeals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is
verplichteen daartoe strekkend bevel te geven,
tenzijzich één van de in het eerste lid genoemde - en beperkt uit te leggen - uitzonderingen voordoet.
Voor een generieke uitzondering voor minderjarigen bestaat geen ruimte. Zodanige generieke uitzondering kan ook niet aan het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind worden ontleend.
De in artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet genoemde uitzondering doet zich niet voor, nu niet gebleken is dat reeds een DNA-profiel van veroordeelde is verwerkt.
De rechtbank dient derhalve, op grond van artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden te beoordelen of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Ten aanzien van deze uitzonderingsgrond geldt, dat in de aard van het ten laste van veroordeelde bewezen verklaarde misdrijf van 312 van het Wetboek van Strafrecht geen grond kan worden gevonden om te concluderen dat DNA-onderzoek niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde. Wat betreft de aard van het misdrijf is van een uitzonderingsituatie derhalve geen sprake.
In de omstandigheden waaronder dat misdrijf is gepleegd, ziet de rechtbank echter wel grond om te concluderen dat DNA onderzoek niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde. Gezien de geringe rol van veroordeelde in het strafbare feit in combinatie met zijn nog jeugdige leeftijd en de voor het overige blanco documentatie van veroordeelde gaat de rechtbank ervan uit dat het om een eenmalig incident ging en het zeer onwaarschijnlijk is dat DNA-onderzoek van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van mogelijke strafbare feiten van veroordeelde.
Gezien het voorgaande dient met inachtneming van de betrekkelijke wetsartikelen te worden beslist als volgt.

4.4. Beslissing

De rechtbank:
verklaart het bezwaarschrift gegrond;
beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van veroordeelde terstond wordt vernietigd.

5.Samenstelling enkelvoudige kamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door:
mr. A.C. Haverkate, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.M.A. van der Meij, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2015.