ECLI:NL:RBNHO:2015:1183
Rechtbank Noord-Holland
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Beëindiging terbeschikkingstelling ondanks kortere voorwaardelijke beëindiging van dwangverpleging
De rechtbank Noord-Holland behandelde op 23 januari 2015 de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling van betrokkene, die sinds 1997 loopt wegens afpersing en bedreiging. Betrokkene woont zelfstandig, is stabiel en heeft een gestructureerde dagbesteding. Diverse deskundigen, waaronder psychiaters en een psycholoog, evenals de reclassering, adviseren de terbeschikkingstelling te beëindigen vanwege het geringe recidiverisico en de stabiliteit van betrokkene.
Hoewel artikel 509t, tweede lid, Wetboek van Strafvordering sinds 1 juli 2013 bepaalt dat de terbeschikkingstelling niet eerder kan worden beëindigd dan nadat de dwangverpleging minimaal een jaar voorwaardelijk is beëindigd, oordeelt de rechtbank dat deze wettelijke bepaling buiten toepassing moet blijven indien deze strijdig is met artikel 2 van Pro het Vierde Protocol bij het EVRM, dat het recht op vrijheid van verplaatsing beschermt.
De rechtbank stelt vast dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid geen verlenging van de maatregel meer rechtvaardigen. Daarom wordt de vordering tot verlenging afgewezen, ondanks dat de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging nog geen jaar heeft geduurd. Hiermee wordt voldaan aan de eisen van het EVRM en de nationale wetgeving in samenhang.
De beslissing is genomen door een meervoudige raadkamer bestaande uit drie rechters en is in het openbaar uitgesproken. De rechtbank benadrukt dat de maatregel niet langer noodzakelijk is en dat betrokkene voldoende stabiel functioneert zonder de terbeschikkingstelling.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling af en beëindigt de maatregel.