ECLI:NL:RBNHO:2015:1333

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 februari 2015
Publicatiedatum
20 februari 2015
Zaaknummer
15/821070-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijke invoer van heroïne te Schiphol

Op 27 oktober 2014 heeft verdachte opzettelijk ongeveer 1,99 kilogram heroïne binnen het grondgebied van Nederland gebracht via Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Deze hoeveelheid was bestemd voor verdere verspreiding en handel, wat ernstige gezondheidsrisico's en maatschappelijke gevolgen met zich meebrengt.

De rechtbank baseerde haar oordeel op de bekennende verklaring van verdachte, diverse proces-verbalen van bevindingen, een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut en een psychiatrisch rapport. Uit het psychiatrisch onderzoek bleek dat verdachte leed aan een psychotische stoornis, vermoedelijk schizofrenie, gecombineerd met alcohol- en cannabisafhankelijkheid. Deze aandoeningen beïnvloedden zijn gedragskeuzes en verminderden zijn vermogen om de gevolgen van zijn handelen volledig te overzien.

Hoewel verdachte wist dat drugssmokkel strafbaar is, was hij door zijn psychische toestand niet in staat de daadwerkelijke gevolgen goed te overzien. De rechtbank achtte verdachte verminderd toerekeningsvatbaar, maar vond dit geen reden om af te wijken van een vrijheidsbenemende straf. Vanwege het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en het ontbreken van een reclasseringsrapport werden geen bijzondere voorwaarden opgelegd.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis had doorgebracht. Verdachte werd vrijgesproken van overige ten laste gelegde feiten die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest wegens opzettelijke invoer van heroïne.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, sectie straf
Locatie Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/821070-14 (P)
Uitspraakdatum : 5 februari 2015
Tegenspraak
Vonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 januari 2015 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Somalië),
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Amsterdam Over-Amstel (Penitentiair Psychiatrisch Centrum) te Amsterdam.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Haneveld en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L. Stolk-Hogeterp, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 27 oktober 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Bewijs
3.1. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2. Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen en overdracht d.d. 27 oktober 2014 (dossierpagina’s 4-5);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 oktober 2014 (dossierpagina 6);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 27 oktober 2014 (dossierpagina’s 7-9);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 28 oktober 2014 (dossierpagina’s 50-53);
- een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 27 november 2014, zaaknummer 2014.11.03.049 (aanvraag 001)(los opgenomen).
3.3. Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit
heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 27 oktober 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
6.1. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest.
6.2. Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het Pro Justitia rapport van [psychiater], psychiater d.d. 7 januari 2015 en uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer 1,99 kilogram heroïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof.
De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in heroïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.
De rechtbank neemt bij het bepalen van de strafmaat de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht tot uitgangspunt.
In eerdergenoemd rapport Pro Justitia concludeert psychiater [psychiater] dat bij verdachte sprake is van een psychotische stoornis, waarbij schizofrenie het meest waarschijnlijk wordt geacht, alsmede alcohol- en cannabisafhankelijkheid. Deze ziekelijke stoornis heeft de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit beïnvloed. Hoewel verdachte wist dat het voorstel tot drugssmokkel dat hem werd gedaan, strafbaar was, was hij niet in staat de daadwerkelijke gevolgen goed te overzien. Het middelengebruik (alcohol, wiet en qat) droeg bij aan de verergering van de klachten.
Meerdere factoren, waaronder wanen en hallucinaties in het kader van schizofrenie, de afhankelijkheid van cannabis en alcohol en het gebruik van qat, hebben ertoe bijgedragen dat verdachte in verminderde mate in staat was de gevolgen van zijn handelen te overzien.
De psychiater adviseert verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde, verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.
De rechtbank neemt de conclusies uit dit rapport over en maakt deze tot de hare.
In de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals uiteengezet in voornoemd rapport van de psychiater, en het gegeven dat verdachte in Nederland niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, vindt de rechtbank aanleiding af te wijken van eerdergenoemde oriëntatiepunten.
De rechtbank zal aan verdachte – anders dan voorgesteld in het rapport van de psychiater indien verdachte woonachtig zou zijn in Nederland – geen bijzondere voorwaarden opleggen. Verdachte heeft ter terechtzitting aanvankelijk verklaard dat hij terug wilde keren naar Groot-Brittannië omdat hij daar kosteloos voor de voor hem noodzakelijke medicatie in aanmerking komt. Na het pleidooi van de raadsvrouw heeft verdachte aangegeven dat hij van plan is om zich in Nederland te vestigen omdat familie van zijn vrouw in Nederland woont. Nu verdachte op dit moment geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, er enkel sprake is van een nog niet concreet voornemen om in Nederland te verblijven en er evenmin een reclasseringsadvies is opgesteld ziet de rechtbank geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden op te leggen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
2 en 10 van de Opiumwet.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF (12) MAANDEN.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzitter,
mr. I.M. Nusselder en mr. C.H. de Jonge van Ellemeet, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. drs. F.A. Rive,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 februari 2015.
De mrs. de Jonge van Ellemeet en Nusselder zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.