ECLI:NL:RBNHO:2015:1336

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 januari 2015
Publicatiedatum
20 februari 2015
Zaaknummer
15/821004-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor invoer van cocaïne met deels voorwaardelijke gevangenisstraf en reclasseringstoezicht

De rechtbank Noord-Holland heeft op 23 januari 2015 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die ten laste werd gelegd op 11 oktober 2014 op Schiphol een hoeveelheid cocaïne binnen Nederland te hebben gebracht.

De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding geldig was, de rechtbank bevoegd was, en de officier van justitie ontvankelijk was. Verdachte heeft tijdens de terechtzitting een bekennende verklaring afgelegd. Het bewijs bestond uit het proces-verbaal van aanhouding en onderzoek, en een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk circa 620 gram cocaïne invoerde, een hoeveelheid die bestemd was voor verdere verspreiding. Verdachte werd strafbaar verklaard en veroordeeld tot een gevangenisstraf van 210 dagen, waarvan 101 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder reclasseringstoezicht en verblijf in een instelling voor begeleid wonen (Exodus te Utrecht).

De strafoplegging hield rekening met de ernst van het feit, de schadelijkheid van cocaïne, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, die jong en kwetsbaar is en hulpverlening nodig heeft. De rechtbank achtte een vrijheidsbenemende straf passend, maar koos voor een deels voorwaardelijke straf met begeleiding om recidive te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 210 dagen gevangenisstraf, waarvan 101 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden waaronder reclasseringstoezicht en verblijf in begeleid wonen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/821004-14 (P)
Uitspraakdatum : 23 januari 2015
Tegenspraak
Vonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 januari 2015 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] te Curaçao (Nederlandse Antillen),
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen, HvB Nieuwersluis.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C. Bijlsma en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. L.A. Korfker, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 11 oktober 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Bewijs
3.1. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2. Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding van verdachte d.d. 11 oktober 2014 (dossierpagina’s 1 t/m 4);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 12 oktober 2014 (dossierpagina’s 51 t/m 54);
- een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 13 november 2014, zaaknummer 2014.10.14.001 (los opgenomen).
3.3. Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
zij op 11 oktober 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
6.1. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 100 dagen voorwaardelijk, onder de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en opname in Exodus.
6.2. Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het
rapport van de Reclassering Nederland, RN Adviesunit 2 Midden-Noord van 10 december 2014 en uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer 620 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.
In de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals uiteengezet in voornoemd reclasseringsrapport, vindt de rechtbank aanleiding af te wijken van de straf die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. Verdachte is jong, kwetsbaar en niet goed in staat geweest om de moeilijkheden, die zij bij haar komst naar Nederland twee jaar geleden ondervond, het hoofd te bieden. Hierdoor is verdachte steeds verder in problemen gekomen. Hulpverlening is daarom geboden.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
Daarnaast acht de rechtbank verplichte begeleiding door de Reclassering Nederland, RN Adviesunit 2 Midden-Noord, noodzakelijk, alsmede een verblijf in Exodus. Een dergelijke verplichting zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht.
2 en 10 van de Opiumwet.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWEE HONDERD EN TIEN (210) DAGEN.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot HONDERD EN EEN (101) DAGEN niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- dat veroordeelde zich binnen één week na haar invrijheidstelling zal melden bij Reclassering Nederland op het adres Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht, en zich aldaar gedurende de proeftijd zal blijven melden zo vaak en zo lang als de Reclassering dat nodig acht, en zich zal houden aan de voorschriften en aanwijzingen die de Reclassering haar geeft;
- dat veroordeelde vanaf 28 januari 2015 zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten Exodus te Utrecht, Waalstraat 91-93, en zich zal houden aan het (dag-) programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zo lang de Reclassering dit nodig acht,
waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Noord-Holland noodzakelijk oordeelt.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Heft op het bevel voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde straf.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. I.A.M. Tel, voorzitter,
mr. D. Gruijters en mr. L.C. Bannink, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. drs. F.A. Rive,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 januari 2015.
Mr. Bannink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.