ECLI:NL:RBNHO:2015:2901

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 april 2015
Publicatiedatum
7 april 2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4708
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.7 BouwbesluitArt. 6.8 BouwbesluitArt. 7.10 BouwbesluitArt. 7.22 BouwbesluitArt. 1b Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhuurder aansprakelijk voor kosten ontmanteling hennepkwekerij ondanks gebrek aan kennis

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Noord-Holland op 10 april 2015 geoordeeld over de vraag of de verhuurder van een pand terecht als overtreder is aangemerkt en de kosten van spoedeisende bestuursdwang voor het ontmantelen van een hennepkwekerij op hem zijn verhaald.

De feiten betreffen een pand waar op 30 april 2014 na een brand een hennepkwekerij met 1833 planten werd aangetroffen. De politie nam de planten in beslag en een ontmantelingsbedrijf voerde de gevaarlijke goederen af. De kosten van de ontmanteling bedroegen € 2.806,32. De verhuurder had bezwaar gemaakt tegen het besluit om de kosten op hem te verhalen, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard.

De rechtbank overwoog dat de verhuurder als eigenaar en verhuurder van het pand als overtreder kan worden aangemerkt indien hij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat het pand als hennepkwekerij werd gebruikt. De verhuurder had weliswaar contact met de huurder, maar had niet voldoende controle uitgeoefend, mede gezien illegale stroomaftapping en slechte administratie. Hierdoor was hij terecht als overtreder aangemerkt.

De verhuurder stelde dat spoedeisende bestuursdwang niet noodzakelijk was en dat de kosten op zijn huurder verhaald moesten worden. De rechtbank oordeelde dat gezien het brand- en explosiegevaar spoedeisende bestuursdwang gerechtvaardigd was en dat de kosten terecht op de verhuurder konden worden verhaald. De verhuurder kan deze kosten op zijn beurt verhalen op de huurder. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van de verhuurder wordt ongegrond verklaard en de kosten van ontmanteling worden terecht op hem verhaald.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 14/4708

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2015 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard, verweerder

(gemachtigde: M. Tol en G. Westerneng).

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser aangemerkt als overtreder en de kosten van de spoedeisende bestuursdwang op hem verhaald.
Bij besluit van 6 augustus 2014 heeft verweerder de verschuldigde kosten van de spoedeisende bestuursdwang vastgesteld op € 2.806,32.
Eiser tegen beide besluiten bezwaar gemaakt, maar het bezwaar tegen het besluit van 6 augustus 2014 ingetrokken.
Bij besluit van 3 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2015. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Eiser is eigenaar van een bedrijfsruimte aan de [adres]. In het pand heeft de brandweer op 30 april 2014, na een brand, een hennepkwekerij aangetroffen. Politie en toezichthouders van verweerder zijn hierop ingeschakeld. De 1833 hennepplanten zijn door de politie in beslaggenomen en vernietigd. Liander heeft op verzoek van verweerder de elektriciteitsvoorziening afgekoppeld. Voorts heeft een ontmantelingsbedrijf in opdracht van verweerder goederen die de gevaarlijke situatie veroorzaakten afgevoerd. De totale kosten van ontmanteling middels spoedeisende bestuursdwang bedragen € 2.806,32.
Tussen partijen is niet in geschil dat vanwege het aanwezige (brand)gevaar, elektrocutiegevaar en ontploffingsgevaar het gebruik van het bedrijfspand als hennepkwekerij in strijd was met de artikelen 6.7, 6.8 7.10 en 7.22 van het Bouwbesluit, alsmede met artikel 1b, tweede en derde lid van de Woningwet.
Verweerder heeft eiser als eigenaar van het pand en verhuurder van het perceel aangemerkt als overtreder op wie de kosten van de spoedeisende bestuursdwang verhaald worden. Verweerder heeft in het bestreden besluit onder verwijzing naar het advies van de commissie voor bezwaarschriften het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eiser terecht als overtreder is aangemerkt omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet wist of niet kon weten dat het pand als hennepkwekerij werd gebruikt.
Eiser heeft aangevoerd dat niet hij, maar zijn huurders dienen te worden aangemerkt als overtreders. Hij wist niet dat er in het door hem verhuurde pand wiet verbouwd werd.
Op grond van artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2013:2256) kan eiser, als verhuurder van het pand, als overtreder worden aangemerkt indien hij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat het pand als hennepkwekerij wordt gebruikt. Van de eigenaar van een pand kan worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het door hem verhuurde pand worden gemaakt (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2014:2019). De eigenaar dient aannemelijk te maken dat hij niet wist en niet kon weten dat het pand als hennepkwekerij werd gebruikt.
6. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij regelmatig met de huurder heeft gesproken en ook meerdere keren in het verhuurde pand is geweest, echter niet in het gedeelte waar de kwekerij lag. Hij stelt de kwekerij niet opgemerkt te hebben.
7. Deze controle acht de rechtbank niet voldoende. Daartoe wordt overwogen dat de huurders illegaal stroom hebben afgetapt van de stroomvoorziening van eiser en deze leidingen open en bloot door zijn eigen pand liepen. Voorts heeft verweerder terecht gewezen op de slechte administratie die eiser voerde. Eiser beschikte niet over een kopie van het legitimatiebewijs van zijn huurders dan wel een inschrijving van de Kamer van Koophandel. De huur werd contant voldaan door ene ‘[naam]’, niet zijnde de huurder, en eiser heeft ter zitting toegelicht dat zijn huurders betalingsproblemen hadden zodat niet de gehele huur werd voldaan. Ook was er na verloop van een half jaar nog steeds geen tattooshop, dan wel ontstoppingsbedrijf in het pand gevestigd. Onder die omstandigheden had eiser naar het oordeel van de rechtbank extra waakzaam moeten zijn. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet had kunnen weten dat het pand als hennepkwekerij werd gebruikt en kon eiser (in juridische zin) als overtreder worden aangemerkt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. Eiser meent dat spoedeisende bestuursdwang niet noodzakelijk was omdat hij op verzoek van de brandweer het pand direct, zonder dwang heeft ontsloten. Omdat er brand in het buurpand was ontstaan heeft de verzekering na uitgebreid onderzoek vlot uitbetaald. Maar eiser meent dat de schade groter is dan hij ooit had kunnen denken, hij zit financieel aan de grond. Hij lijdt ook onder het verlies van zijn reputatie. Eiser meent dat daarom de kosten op zijn huurder verhaald dienen te worden.
9. Naar het oordeel van de rechtbank bestond gelet op het brandgevaar voldoende feitelijke grondslag om ter zake met spoed wegens overtreding van het Bouwbesluit op te treden. De kosten van de bestuursdwang zien dan ook op het ontmantelen van de kwekerij. Nu eiser als overtreder is aangemerkt, mocht verweerder de kosten op eiser verhalen. De omstandigheid dat eiser is aangemerkt als overtreder laat overigens onverlet dat hij deze kosten op zijn beurt kan verhalen op de huurder. Deze beroepsgrond slaagt echter niet.
10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H.A.C. Everaerts, rechter, in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2015.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.