Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Procedure
2.Feiten en omstandigheden
3.Verzoek
,door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan wettelijke maatstaven.
Rechtbank Noord-Holland
Partijen zijn in 2002 gescheiden waarbij de man een kinderbijdrage en partnerbijdrage aan de vrouw moest betalen. In 2009 zijn aanvullende afspraken gemaakt over indexering en extra bijdragen voor de kinderen.
De man verzocht de rechtbank om de kinderbijdrage vanaf juni 2014 te verlagen en vanaf oktober 2014 op nihil te stellen, evenals de partnerbijdrage. De vrouw en jongmeerderjarige voerden verweer, waarbij de vrouw stelde dat verlaging alleen mogelijk was als het inkomen onder een bepaald niveau zou zakken, en de jongmeerderjarige behoefte hield aan een bijdrage tot zijn 21e.
De rechtbank oordeelde dat de man sinds 1 oktober 2014 een WW-uitkering ontvangt die lager is dan de maximale WW, waardoor verlaging mogelijk is. De behoefte van de minderjarige werd vastgesteld op nul vanaf 1 januari 2015 vanwege het kindgebonden budget. De jongmeerderjarige had geen resterende behoefte van oktober 2014 tot januari 2015, maar wel een behoefte van €100 per maand vanaf januari 2015.
De partnerbijdrage verviel per 1 oktober 2014. De rechtbank stelde de kinderbijdrage aan de minderjarige vanaf 1 oktober 2014 op €96 en vanaf 1 januari 2015 op nihil. De bijdrage voor de jongmeerderjarige werd op nihil gesteld vanaf 1 oktober 2014 en op €100 vanaf 1 januari 2015. De partnerbijdrage werd per 1 oktober 2014 op nihil gesteld.
De rechtbank bepaalde dat elke partij haar eigen proceskosten draagt en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De kinderbijdrage voor de minderjarige wordt per 1 januari 2015 op nihil gesteld, de bijdrage voor de jongmeerderjarige op €100 per maand vanaf 1 januari 2015, en de partnerbijdrage per 1 oktober 2014 op nihil.