De zaak betreft een beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn om een omgevingsvergunning te verlenen voor het kappen van acht platanen aan een adres in Hoorn. Eiser, bewoner van de nabijgelegen woning, betwistte dit besluit en voerde onder meer aan dat het besluit onzorgvuldig was en dat de vergunning had moeten worden beperkt tot het kappen van drie platanen.
De rechtbank oordeelt dat eiser belanghebbende is, ondanks de verkoop van zijn woning, omdat de overdracht nog niet heeft plaatsgevonden. De vergunning is verleend met de voorwaarde dat zestien Magnolia-bomen worden herplant. De rechtbank stelt vast dat het college een ruime beleidsvrijheid heeft bij het verlenen van een kapvergunning en dat de toetsing van de rechter beperkt is tot de vraag of het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.
De rechtbank vindt dat het college de belangen zorgvuldig heeft afgewogen, waarbij onder meer de overlast, de leeftijd van de bomen, wortelopdruk en het bestaande bomenbeheerplan zijn meegewogen. De stelling van eiser dat het college alternatieve oplossingen had moeten onderzoeken, wordt verworpen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de situatie niet vergelijkbaar is met andere locaties.
Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en blijft het besluit tot verlening van de kapvergunning in stand.