Eiser exploiteerde tot 31 januari 2009 een glastuinbouwbedrijf met bijbehorende grond en opstallen. Na bedrijfsbeëindiging ontstond discussie over de waarde van circa 1,10 hectare grond met schuur en kassen, waarbij het verschil tussen de WEV en WEVAB bepalend was voor de fiscale winstcorrectie.
Eiser stelde primair dat de grond geen bouwgrond was en dat WEV en WEVAB gelijk moesten zijn, mede onderbouwd met gemeentelijke brieven en WOZ-waardes. Verweerder stelde dat redelijkerwijs te verwachten was dat de agrarische bestemming zou wijzigen, ondersteund door taxaties en gemeentelijke mededelingen.
De rechtbank oordeelde dat op 31 januari 2009 een functiewijziging planologisch waarschijnlijk was, waardoor de WEV hoger ligt dan de WEVAB. Beide partijen overlegden degelijke taxatierapporten, waarop de rechtbank het gemiddelde van de waardes baseerde. De aanslag werd verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van €182.858. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.