Uitspraak
[C] en [D]. Namens verweerder zijn verschenen mr. H.P. Brouwer,
mr. J.M.F. de Haer, J. Robertus en J. van Piekeren.
(€ 9.105.625) dient bij tenuitvoerlegging van purchase agreement maar uiterlijk 4 december te worden voldaan, de tweede termijn (€ 9.105.625) op 1 mei 2010 en de laatste termijn bij oplevering van het schip. In de purchase agreement is voorts vastgelegd dat [H] aan CV [O] een ‘intercompany loan’ verstrekt van € 628.000.
Put Option
onherroepelijk) and unconditionally (
onvoorwaardelijk) grants to [E 1] a put option to sell and transfer all (but not part of) 17.999 shares in the capital of [[M] B.V.] held by [E 1] (the “P
ut Shares”), representing 99.994% of the issued and outstanding capital of [[M] B.V.], at the Put Option Price (as defined below), and [E 1] hereby accepts the same (the “
Put Option”).
Put Option Period”) by the service of a notice thereto to Parts (the “
Put Option Notice”). The Put Option shall cease to be exercisable and shall lapse upon expiry of the Put Option Period.
waarde in het economisch verkeer) of the Put Shares on the date of receipt of the Put Option Notice by Parts, being the value of the Put Shares computed on the basis of the contract price of the Vessel under the Shipbuilding Contract with a minimum of one Euro (EUR 1,-) (the “
Put Option Price”).
(€ 9.105.625) dient te worden voldaan op 31 december 2009, de tweede termijn
(€ 9.105.625) op 30 april 2010 en de laatste termijn (€ 3.213.750) bij oplevering van het schip.
Vergoeding door Moeder[eiseres]
Moeder Compensatie”).
Terugbetalingsverplichting
€ 9.105.625 ter beschikking zal worden gesteld. Met betrekking tot de aflossing komen partijen overeen dat deze in vier termijnen zal dienen te geschieden: de eerste termijn van
€ 628.500 vervalt op de veertiende dag na inwerkingtreding van de overeenkomst, de tweede termijn van € 2.095.000 op 31 december 2009, de derde termijn van € 4.190.000 op 1 april 2010 en de vierde termijn van € 11.297.750 op de dag van oplevering van het schip.
€ 9.105.625 ter beschikking zal worden gesteld. Met betrekking tot de aflossing komen partijen overeen dat deze in vier termijnen zal dienen te geschieden: de eerste termijn van
€ 636.000 vervalt op 15 april 2010, de tweede termijn van € 2.120.000 op 30 september 2010, de derde termijn van € 4.240.000 op 30 maart 2011 en de vierde termijn van
€ 11.215.250 op de dag van oplevering van het schip.
Geschil1. In geschil is of eiseres met betrekking tot de schepen [I] en [J] recht heeft op de faciliteit van ‘willekeurige afschrijving’ (artikel 3.34 van de Wet IB 2001). Meer in het bijzonder is in geschil of er sprake is van een fiscale eenheid van eiseres met [M] B.V. en [N] B.V. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is in geschil of voldaan is aan alle voorwaarden voor toepassing van de faciliteit van willekeurige afschrijving. Indien ook deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, is in geschil of fraus legis aan toepassing van de faciliteit in de weg staat. Voorts houdt partijen verdeeld het antwoord op de vraag of verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.
€ 20.766.933.
mr. J. Gooijer, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2015.