Uitspraak
V: In welke bewoordingen vertelde hij dit tegen jou?
A: Hij zei dat hij iets goed moest maken, dat hij iets terug moest betalen, dat hij naar binnen moest op Schiphol, hij moest een koffertje ophalen / overnemen en hij kreeg 2 tickets en een mobiele telefoon. Een witte Blackberry.
V: Wat heeft [medeverdachte 1] exact verteld over wat jou rol zou zijn en of wat jij zou moeten doen?
A: Woensdag ook toen we aan het rijden waren, we moesten bij een restaurant gaan zitten en zouden een foto krijgen van de persoon die door zou komen.