Op 14 april 2015 werd veroordeelde door de kinderrechter een taakstraf van 20 uur opgelegd, met als vervangende straf 10 dagen jeugddetentie bij niet-naleving. Veroordeelde begon met de uitvoering van de werkstraf, maar werd negatief teruggemeld vanwege een vermeende diefstal van sigaretten, wat hij betwistte als lenen.
Het hoger beroep tegen de strafzaak was op het moment van de negatieve terugmelding nog niet ingetrokken, waardoor de taakstraf formeel nog niet had mogen starten. De officier van justitie wilde de vervangende jeugddetentie ten uitvoer leggen, maar de verdediging stelde dat veroordeelde nog een kans moest krijgen de taakstraf af te maken.
De kinderrechter oordeelde dat de taakstraf pas als gestart en mislukt kan worden beschouwd wanneer het vonnis onherroepelijk is en de taakstraf daadwerkelijk is aangevangen. Omdat het hoger beroep nog liep, mocht veroordeelde de taakstraf opnieuw aanvangen. De rechtbank wijzigde het bevel tot tenuitvoerlegging van de jeugddetentie en stelde een nieuwe termijn tot 27 maart 2016 voor afronding van de taakstraf.