AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ontkenning vaderschap en behoud geslachtsnaam meerderjarig kind
In deze zaak heeft de rechtbank Noord-Holland op 4 februari 2015 uitspraak gedaan over het verzoek van een meerderjarig kind om het door huwelijk ontstane vaderschap van een man te ontkennen. Na een DNA-onderzoek is vastgesteld dat de man niet de biologische vader is. De moeder heeft haar verweer ingetrokken en ingestemd met de ontkenning.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek gegrond is op grond van artikel 1:200 lid 1 BWPro, waarbij de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. Daarnaast is het verzoek van het kind om haar geslachtsnaam te behouden toegewezen, ondanks dat de ontkenning van het vaderschap terugwerkt tot de geboorte volgens artikel 1:202 lid 1 BWPro.
De rechtbank overweegt dat het behoud van de geslachtsnaam in het belang is van het kind, mede vanwege de goede band met de man die haar heeft opgevoed, de relatie met haar zussen die dezelfde naam dragen, en het ontbreken van een wens tot naamswijziging naar de vermeende biologische vader. Ook wordt het belang van het family life zoals beschermd door artikel 8 EVRMPro meegewogen.
De kosten van het DNA-onderzoek worden gelijkelijk verdeeld tussen het kind en de man. De beschikking is gegeven door rechter M.E. Allegro en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het verzoek tot ontkenning van het vaderschap wordt toegewezen en het kind behoudt haar geslachtsnaam.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Sectie Familie & Jeugd
locatie Alkmaar
zaak-/rekestnr.: C/14/154351 / FA RK 14-978
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 4 februari 2015
in de zaak van:
[kind],
wonende te [woonplaats],
hierna mede te noemen: Kayra,
advocaat: mr. G.M. Terlingen, kantoorhoudende te Hoorn Nh,
--tegen--
[de man]
wonende te [woonplaats],
hierna mede te noemen: de man,
advocaat: mr. P.F.M. Deijkers,
in welke zaak belanghebbende is:
[belanghebbende],
wonende te [woonplaats],
hierna mede te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.E. Mewe-Boerwinkel.
1.Procedure
In deze zaak is door deze rechtbank eerder beschikking gegeven op 17 september 2014. Hierbij heeft de rechtbank een DNA-onderzoek gelast ter beantwoording van de vraag of de man de biologische vader is van [kind]. De behandeling van de zaak is pro forma aangehouden tot 20 oktober 2014 in afwachting van de uitslag van het onderzoek en berichten van partijen over de gewenste voortzetting van de procedure.
Op verzoek van [kind] is de zaak op 17 oktober 2014 aangehouden tot 24 november 2014.
Bij brief van 28 oktober 2014, ter griffie ingekomen op 29 oktober 2014, heeft dr. [naam] namens Sanquin Bloedvoorziening het rapport betreffende het vaderschapsonderzoek (hierna: DNA-onderzoek) ingediend.
Bij bericht van 18 november 2014 heeft [kind] eveneens het rapport betreffende het DNA-onderzoek ingediend. Voorts heeft [kind] de rechtbank verzocht beschikking te geven in deze zaak.
Bij bericht van 3 december 2014 heeft de moeder haar verweer ingetrokken.
Bij bericht van 12 december 2014 is namens de moeder een instemmingsverklaring ingediend.
Er heeft geen verdere mondelinge behandeling plaatsgevonden.
2.Behandeling van de zaak
De rechtbank neemt over hetgeen is overwogen in de beschikking van 17 september 2014 en overweegt in aanvulling daarop als volgt.
Uit het DNA-onderzoek volgt dat de man uitgesloten is van het biologisch vaderschap ten aanzien van [kind].
De moeder heeft haar verweer ingetrokken en ingestemd met toewijzing van het verzoek.
In artikel 1:200 lid 1 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat het door huwelijk ontstane vaderschap, op de grond dat de man niet de biologische vader van het kind is, kan worden ontkend.
Het uitgangspunt van de wetgever bij dit artikel is dat de juridische situatie en de biologische werkelijkheid met elkaar in overeenstemming kunnen worden gebracht.
Nu ook overigens is voldaan aan de in artikel 1:200 BWPro gestelde voorwaarden, zal de rechtbank het verzoek van [kind] tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de man toewijzen.
Ten aanzien van het verzoek van [kind] om te bepalen dat zij de geslachtsnaam [geslachtsnaam] behoudt, overweegt de rechtbank dat op grond van het bepaalde in artikel 1:202, eerste lid, van het BW de ontkenning van het vaderschap terug werkt tot de geboorte. Dit betekent dat [kind], na het in kracht gaan van gewijsde van deze beschikking, alleen in een familierechtelijke betrekking staat tot haar moeder en dus ook haar naam draagt. Nu doet zich in dit geval de situatie voor dat [kind] eerst op latere leeftijd is geconfronteerd met het feit dat de man haar biologische vader niet is. Thans wordt zij, door toewijzing van het verzoek tot ontkenning van zijn door het huwelijk ontstane vaderschap, met de rechtsgevolgen daarvan geconfronteerd: het verbreken van de familierechtelijke rechtsbetrekkingen met de man en een naamswijziging op grond van de reeds bestaande bepaling van art. 1:5 BWPro, die inhoudt zij haar moeders naam zal dragen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet of de wetgever deze situatie heeft voorzien. Weliswaar voorziet artikel 1:7 BWPro in de mogelijkheid van wijziging van de geslachtsnaam door middel van een Koninklijk Besluit, maar op voorhand is niet met zekerheid te zeggen of een verzoek daartoe zal worden toegewezen. Daarbij neemt de rechtbank eveneens in aanmerking de hoge kosten die met een dergelijk verzoek gepaard gaan. De huidige procedure met inbegrip van de kosten van het DNA-onderzoek zijn voor [kind] (op deze leeftijd) reeds aanzienlijk, mede in aanmerking genomen het feit dat [kind] in het ontstaan van de huidige situatie geen enkel aandeel heeft gehad.
Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat het namenrecht behoort tot het door artikel 8 vanPro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens beschermde family life. De in dit artikel genoemde belangen rechtvaardigen in dit geval geen inbreuk op het family life.
[kind] heeft altijd de geslachtsnaam [geslachtsnaam] gehad. Tijdens het huwelijk van de moeder en de man zijn nog twee kinderen geboren die door [kind] als volwaardige zussen worden beschouwd en die eveneens de naam [geslachtsnaam] dragen. Daarnaast heeft [kind] een goede band met de man en beschouwt zij hem nog steeds als de vader die haar heeft opgevoed.
De heer [naam], die volgens [kind] haar biologische vader is, heeft zich volgens [kind] tot op heden niet bereid getoond mee te werken aan een DNA-onderzoek of aan de totstandkoming van een juridisch ouderschap. Gesteld noch gebleken is ten slotte dat [kind] de wens heeft om de geslachtsnaam van de heer [naam] te verkrijgen.
Gelet op al het voorgaande moet een naamswijziging op dit moment strijdig met de belangen van [kind] worden geacht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het rechtsgevolg dat artikel 1:5 BWPro aan de toewijzing van het verzoek tot ontkenning van het vaderschap verbindt in dit geval aan die beslissing dient te worden onthouden, zodat [kind] de naam van de man zal blijven behouden.
Op de dag van het geven van de beschikking in deze zaak, te weten 4 februari 2015, geeft de rechtbank tevens beschikking in procedurenummer C/14/150628/ FA RK 13/2482, waarbij de rechtbank het verzoek van de man tot ontkenning van het vaderschap van de man ten aanzien van [kind] -gelet op de begunstigende beslissing in onderhavige zaak- afwijst.
3.kosten DNA-onderzoek
Ten aanzien van de kosten van het DNA-onderzoek ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat deze kosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat [kind] en de man de kosten ieder voor de helft dienen te dragen.
4.Beslissing
De rechtbank:
4.1
Verklaart gegrond de ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap van [de man]met betrekking tot:
- [kind], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats].
4.2
Bepaalt dat [kind] haar geslachtsnaam [geslachtsnaam]zal behouden.
4.3
Bepaalt dat de kosten van het DNA-onderzoek € 550,00 bedragen.
4.4
Verwijst [kind] in de helft van de kosten van het DNA-onderzoek ten bedrage van € 275,00. Voor de betaling van deze kosten zal door de financiële dienst (LDCR) een factuur met betaalinstructies worden toegezonden.
4.5
Verwijst de man in de helft van de kosten van het DNA-onderzoek ten bedrage van
€ 275,00. Voor de betaling van deze kosten zal door de financiële dienst (LDCR) een factuur met betaalinstructies worden toegezonden.
4.6
Draagt de griffier - op grond van artikel 1:20 e lid 1 BW - op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking -en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld- een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Hoorn.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, in tegenwoordigheid van H.M. Zonneveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2015.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.