ECLI:NL:RBNHO:2015:8064

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 september 2015
Publicatiedatum
23 september 2015
Zaaknummer
C/15/223022/FA RK 15-1298
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • H.M. van Dam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 223 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot wijziging kinderbijdrage na vernietiging hofbeschikking

De man verzocht de rechtbank om de door het gerechtshof vastgestelde kinderbijdrage te verlagen, met ingang van 1 februari 2015, vanwege gewijzigde omstandigheden. De vrouw voerde verweer en stelde zelf een andere verlaging voor. De procedure vond plaats na een eerdere beschikking van het gerechtshof Amsterdam, die door de vrouw in cassatie was aangevochten. De Hoge Raad vernietigde deze beschikking en verwees de zaak door naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling.

De rechtbank oordeelde dat door de vernietiging van de hofbeschikking de beslissing over de kinderbijdrage niet meer vatbaar is voor wijziging of intrekking op grond van artikel 1:401 BW Pro. Hierdoor ontbrak de grondslag voor het wijzigingsverzoek van de man. Ook wijziging van eerdere rechtbankbeschikkingen was niet aan de orde omdat de appelprocedure nog liep.

De rechtbank wees verder een voorlopige voorziening af omdat die alleen door het gerechtshof Den Haag kan worden gevraagd. De rechtbank kwam daardoor niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de verzoeken en verklaarde partijen niet-ontvankelijk. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: De rechtbank verklaart partijen niet-ontvankelijk in hun verzoeken tot wijziging van de kinderbijdrage.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd
locatie Alkmaar
MKG
alimentatie
zaak-/rekestnr.: C/15/223022 / FA RK 15-1298
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 23 september 2015
in de zaak van:
[naam man],
wonende te Heerhugowaard,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.E. Groot, kantoorhoudende te Heerhugowaard,
tegen
[naam vrouw],
wonende te Alkmaar,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. P. Dorhout, kantoorhoudende te Egmond aan den Hoef.

1.Procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 2 maart 2015;
- het verweerschrift tevens genoemd zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 25 maart 2015;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 22 april 2015;
- het bericht, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 4 augustus 2015;
- het bericht, met bijlagen, van de man, ingekomen op 10 augustus 2015;
- het bericht, met bijlage, van de vrouw, ingekomen op 17 augustus 2015;
- het bericht, met bijlage, van de man, ingekomen op 19 augustus 2015.
1.2
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 augustus 2015 in aanwezigheid van de man, bijgestaan door mr. M.E. Groot voornoemd, en de vrouw, bijgestaan door mr. P. Dorhout voornoemd.

2.Feiten en omstandigheden

2.1
Partijen zijn op 21 maart 2005 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. Bij beschikking van 30 juli 2009 heeft de rechtbank de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken. Deze beschikking is op 27 augustus 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2
Uit de relatie van partijen is geboren de minderjarige:
- [naam kind 1] (hierna: [kind 1]), op [geboortedatum] te Alkmaar.
2.3
Uit het (huidige) huwelijk van de man met mevrouw [naam vrouw 2] zijn geboren:
  • [naam kind 2] (hierna: [kind 2]), geboren op [geboortedatum] te Alkmaar, en
  • [naam kind 3] (hierna: [kind 3]), geboren op [geboortedatum] te Alkmaar.
2.4
Tussen partijen zijn meerdere procedures aanhangig geweest met betrekking tot de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna: de kinderbijdrage):
  • bij beschikking van 22 april 2010 heeft de rechtbank de kinderbijdrage op € 185,- per maand vastgesteld, zoals partijen ook in het ouderschapsplan waren overeengekomen;
  • bij beschikking van 14 november 2012 is de kinderbijdrage met ingang van 1 november 2011 tot 1 november 2012 nader vastgesteld op € 470,53 per maand en is een voorlopige kinderbijdrage vastgesteld van € 470,53 per maand met ingang van 1 november 2012;
  • bij beschikking van 10 juli 2013 heeft de rechtbank overwogen om - met instemming van partijen - geen definitieve beslissing te nemen over de kinderbijdrage omdat de man hoger beroep had ingesteld tegen de beschikking van 14 november 2012;
  • bij beschikking van 2 juli 2013 heeft het gerechtshof te Amsterdam bepaald dat de kinderbijdrage met ingang van 1 november 2011 tot 1 november 2012 € 246,- per maand bedraagt;
  • bij beschikking van 12 november 2013 heeft het gerechtshof de kinderbijdrage voorlopig vastgesteld op € 250,- per maand met ingang van de datum van de beschikking;
  • bij eindbeschikking van 22 juli 2014 heeft het gerechtshof de kinderbijdrage van
1 november 2012 tot 26 mei 2013 vastgesteld op € 339,- per maand en met ingang van 26 mei 2013 vastgesteld op € 176,- per maand.
De vrouw heeft tegen de beslissing van het gerechtshof te Amsterdam beroep in cassatie ingesteld met één klacht, die zich richt tegen het feit dat het hof in zijn beschikking van 22 juli 2014 de kinderalimentatie met terugwerkende kracht heeft gewijzigd. Bij beschikking van 26 juni 2015 heeft de Hoge Raad de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 22 juli 2014 vernietigd en het geding naar het gerechtshof Den Haag verwezen ter verdere behandeling en beslissing.

3.Verzoek

De man heeft verzocht de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 22 juli 2014 te wijzigen in die zin, dat de kinderbijdrage wordt verminderd tot € 8,- per maand met ingang van 1 februari 2015, dan wel een door de rechtbank te bepalen bedrag en ingangsdatum.
Hij stelt hiertoe dat de hierboven genoemde beschikking door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven.

4.Verweer en zelfstandig verzoek

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de man. Zij verzoekt:
  • primair: de verzoeken van de man af te wijzen;
  • subsidiair: de bijdrage van de man met ingang van 1 maart 2015 te verlagen naar € 112,- per maand en daarbij te bepalen dat de vrouw hetgeen de man over de periode van
1 maart 2015 tot de datum van de beschikking heeft betaald of op hem is verhaald niet hoeft terug te betalen;
- meer subsidiair: de bijdrage van de man met ingang van 1 maart 2015 te verlagen naar
€ 45,- per maand en daarbij te bepalen dat de vrouw hetgeen de man over de periode van 1 maart 2015 tot de datum van de beschikking heeft betaald of op hem is verhaald niet hoeft terug te betalen, dan wel de bijdrage, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen op een bedrag vanaf een datum die de rechtbank juist acht.

5.Beoordeling

Beschikking van de Hoge Raad
5.1
Voordat de rechtbank inhoudelijk kan ingaan op de verzoeken van partijen, dient eerst te worden beoordeeld wat de status is van de onderhavige procedure, gelet op de beschikking van de Hoge Raad van 26 juni 2015. In deze beschikking heeft de Hoge Raad de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 22 juli 2014 immers vernietigd.
5.2
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 4 december 1998 en de conclusie van de Advocaat-Generaal (NJ 1999, 675) is de rechtbank van oordeel dat de vernietiging van de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 22 juli 2014 tot gevolg heeft dat de in deze beschikking gegeven beslissing ten aanzien van de kinderbijdrage niet meer vatbaar is voor wijziging of intrekking of voor ongewijzigd laten op de voet van artikel 401 van Pro boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De grondslag is daardoor aan het onderhavige wijzigingsverzoek komen te ontvallen.
Ook wijziging van de in de beschikking van de rechtbank van 12 november 2012 vastgestelde kinderalimentatie kan niet aan de orde zijn, nu de appelprocedure tegen die beschikking nog voortduurt.
Het gevolg van de beschikking van de Hoge Raad is dat de instantie waarnaar de Hoge Raad heeft verwezen, te weten het gerechtshof Den Haag, zal moeten oordelen over verzoeken van partijen betreffende de kinderalimentatie. Het is dan vervolgens aan het gerechtshof Den Haag te beslissen of de zaak al dan niet opnieuw in volle omvang wordt onderzocht en of rekening gehouden wordt met alle op dat moment bestaande en ter zake dienende omstandigheden van het geval, waaronder de in de onderhavige procedure gestelde wijziging van omstandigheden.
5.3
Tijdens de mondelinge behandeling is aan de orde gekomen of de rechtbank een voorlopige beschikking zou kunnen geven, aangezien de man belang heeft bij een schorsing van zijn huidige alimentatieverplichting. Gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat ook daartoe in de onderhavige procedure geen mogelijkheid bestaat. Een provisionele vordering op basis van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient immers te worden ingesteld bij de instantie waar de hoofdvordering aanhangig is, in de onderhavige situatie dus het gerechtshof Den Haag. De man zou aldaar een provisionele voorziening kunnen vragen dan wel in kort geding schorsing van de lopende alimentatie en vaststelling van een voorlopig lager bedrag kunnen vragen.
5.4
Op basis van het vorenstaande komt de rechtbank derhalve niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van de man, of die van de vrouw voorzover deze als zelfstandige verzoeken kunnen worden gezien. Partijen zullen dan ook in hun verzoeken niet-ontvankelijk worden verklaard.

6.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart partijen niet-ontvankelijk in hun verzoeken.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. van Dam, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. M. Knoop-Gerritsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2015.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.