Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De procedure
2.De feiten
3.Het deelgeschil
4.De beoordeling
5.De beslissing
donderdag 22 januari 2015.
Rechtbank Noord-Holland
De zaak betreft een civiele procedure tussen een verzoekster en haar voormalig psychiater. De verzoekster stelde zich onder behandeling bij de psychiater om een terugval in alcoholverslaving te voorkomen. Tijdens de behandelrelatie ontstond ook een professionele samenwerkingsrelatie, gevolgd door een seksuele relatie kort na het beëindigen van de behandeling.
De Inspectie voor de Gezondheidszorg verklaarde een klacht tegen de psychiater gegrond en legde een schorsing op. In deze civiele procedure vorderde de verzoekster een verklaring voor recht dat de psychiater wanprestatie heeft gepleegd door het aangaan van de samenwerkings- en seksuele relatie, en aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade.
De rechtbank oordeelde dat de psychiater de beroepscode en wettelijke zorgvuldigheidsnormen heeft geschonden, waardoor sprake is van toerekenbare tekortkoming. Het causale verband tussen de tekortkoming en de psychische schade van de verzoekster werd vastgesteld op basis van de omkeringsregel. De immateriële schadevergoeding werd vastgesteld op €5.000, verminderd met reeds betaalde €10.000. Daarnaast werd de psychiater veroordeeld tot betaling van proceskosten.
De rechtbank wees het overige gevorderde af en bepaalde dat de schadevergoeding vermeerderd dient te worden met wettelijke rente vanaf de datum van ontvangst van het verzoekschrift.
Uitkomst: Psychiater pleegde wanprestatie door vermenging behandelrelatie met persoonlijke relatie en is aansprakelijk voor immateriële schade; vergoeding vastgesteld op €5.000 met verrekening reeds betaald bedrag.