Op 15 september 2015 diende veroordeelde een bezwaarschrift in tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel, nadat op bevel van de officier van justitie celmateriaal was afgenomen. De rechtbank behandelde het bezwaar op 6 oktober 2015 waarbij veroordeelde in persoon verscheen met zijn advocaat. De officier van justitie stelde het bezwaarschrift gegrond vanwege de aard van het delict en het tijdsverloop sinds de veroordeling.
De rechtbank overwoog dat het delict, computervredebreuk, geen sporen oplevert die met DNA-onderzoek kunnen worden opgehelderd. De wet stelt dat DNA-onderzoek alleen mag plaatsvinden als het redelijkerwijs van belang kan zijn voor opsporing of berechting. Gezien het concrete delict achtte de rechtbank het bepalen en verwerken van het DNA-profiel niet van betekenis.
Ook bijzondere omstandigheden die zouden kunnen wijzen op toekomstige strafbare feiten waarbij DNA-onderzoek relevant is, werden niet vastgesteld. Het openbaar ministerie had bovendien pas bijna twee jaar na de veroordeling het bevel gegeven tot afname van het DNA-materiaal, wat het geringe belang onderstreept.
De rechtbank verklaarde het bezwaarschrift gegrond en beval de vernietiging van het afgenomen celmateriaal. De uitspraak werd gedaan door rechter L.J. Saarloos op 20 oktober 2015.