Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[naam verzoekster], wonende te Alkmaar,
[naam verzoeker], wonende te Alkmaar,
1.Verloop van de procedure
2.De vaststaande feiten
3.Beoordeling van het verzoek
4.Beslissing
‘s-Gravenhage.
Rechtbank Noord-Holland
De rechtbank Noord-Holland behandelde een verzoek tot erkenning van een in Gambia uitgesproken adoptiebeslissing en een subsidiair verzoek tot adoptie door de verzoekers, waarvan de man de biologische vader is. Het primaire verzoek tot erkenning van de Gambiaanse adoptiebeslissing werd afgewezen omdat niet was voldaan aan de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka), waaronder het ontbreken van de vereiste beginseltoestemming van de minister.
De rechtbank stelde vast dat tussen de man en het kind geen familierechtelijke betrekking was ontstaan op grond van de geboorteakte of de Gambiaanse adoptiebeslissing, mede vanwege verschillen tussen het Gambiaanse en Nederlandse familierecht. Het subsidiaire verzoek tot adoptie door verzoekster en de man werd toegewezen omdat was voldaan aan de gronden en voorwaarden van artikel 1:227 en Pro 1:228 BW en de adoptie in het belang van het kind was.
De rechtbank nam daarbij in aanmerking dat het kind sinds medio 2010 in Nederland door verzoekster en de man werd verzorgd en opgevoed, dat de moeder in Gambia geen rol speelde bij de opvoeding, en dat het kind zelf positief stond tegenover de adoptie. De geboortegegevens van het kind werden vastgesteld en de inschrijving en latere vermelding van de adoptie in de Nederlandse registers bevolen. Het meer subsidiaire verzoek werd niet behandeld.
Uitkomst: Het subsidiaire verzoek tot adoptie wordt toegewezen en het primaire verzoek tot erkenning van de Gambiaanse adoptiebeslissing wordt afgewezen.