ECLI:NL:RBNHO:2016:10237
Rechtbank Noord-Holland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Toekenning transitievergoeding na beëindiging arbeidsovereenkomst op initiatief werkgever
Werknemer trad op 1 juli 2013 in dienst bij werkgever en vervulde de functie van chauffeur. De arbeidsovereenkomst werd op initiatief van werkgever opgezegd per 1 juli 2016. Werknemer vorderde een transitievergoeding van € 3.078,00 bruto, vermeerderd met wettelijke rente.
Werkgever voerde verweer dat op grond van het overgangsrecht van de Wet werk en zekerheid (Wwz) alleen werknemers die na 1 juli 2015 in dienst traden recht hebben op een transitievergoeding. Tevens stelde werkgever dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden was beëindigd, waardoor geen recht op transitievergoeding zou bestaan.
De kantonrechter oordeelde dat werknemer recht heeft op de transitievergoeding omdat de arbeidsovereenkomst langer dan 24 maanden heeft geduurd en op initiatief van werkgever is geëindigd. Het verweer dat sprake was van beëindiging met wederzijds goedvinden werd verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. Ook het beroep op het overgangsrecht faalde omdat artikel XXXIX lid 1 Wwz onmiddellijke werking geeft aan artikel 7:673 BW Pro vanaf 1 juli 2015.
De kantonrechter veroordeelde werkgever tot betaling van de transitievergoeding met wettelijke rente vanaf 1 augustus 2016 en tot vergoeding van de proceskosten van € 479,00. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad gegeven.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 3.078,00 bruto met wettelijke rente en proceskosten.