Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Procedure
2.Feiten en omstandigheden
3.Verzoek
4.Verweer en zelfstandig verzoek
5.Beoordeling
6.Beslissing
25 januari 2017.
uiterlijk 18 januari 2017door de rechtbank ontvangen dient te zijn.
Rechtbank Noord-Holland
Partijen, die tot 2011 een relatie hadden en samen twee minderjarige kinderen hebben, zijn in geschil over de hoogte van de kinderbijdrage en de inschrijving van een van de kinderen bij een van de ouders. De man verzocht om verlaging van de kinderbijdrage vanwege gewijzigde omstandigheden, terwijl de vrouw een hogere bijdrage eiste en tevens wilde dat beide kinderen op hetzelfde adres werden ingeschreven.
De rechtbank oordeelde dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het hoofdverblijf van het kind gewijzigd moet worden en wees het verzoek tot wijziging van het inschrijvingsadres af. Ten aanzien van de kinderbijdrage concludeerde de rechtbank dat geen sprake is van wijziging van het inkomen van de man, behalve het wegvallen van het Kindgebonden Budget, wat een hernieuwde beoordeling van de draagkracht noodzakelijk maakt.
De rechtbank berekende de draagkracht van beide partijen en stelde vast dat de gezamenlijke draagkracht niet de volledige behoefte van de kinderen dekt. Daarom is een draagkrachtvergelijking achterwege gelaten en dienen partijen ieder bij te dragen naar draagkracht. De rechtbank stelde een voorlopige bijdrage vast en gaf partijen de gelegenheid om gezamenlijk een voorstel te doen voor de kostenverdeling. De beslissing over de kinderbijdrage wordt aangehouden tot 25 januari 2017.
Uitkomst: Het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf wordt afgewezen en de beslissing over de kinderbijdrage wordt aangehouden met een oproep aan partijen om gezamenlijk een voorstel te doen.