Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek
Medio april 2016 is een woordenwisseling ontstaan tussen [X 1] en de heer [Y6] (hierna: [Y6] ), waarbij [X 1] volgens [Y6] diens moeder (ook werkzaam bij Sortiva) heeft beledigd. Op 2 mei 2016 heeft zich een nieuw incident tussen [X 1] en [Y6] voorgedaan, waarbij [Y6] [X 1] een klap heeft gegeven. Volgens [Y6] heeft hij deze klap gegeven, omdat [X 1] niet ophield met het beledigen en uitschelden van zijn moeder. [X 1] heeft steeds ontkend dat hij de moeder van [Y6] heeft beledigd c.q. heeft uitgescholden. Naar aanleiding van dit incident heeft Sortiva aanvankelijk zowel [Y6] als [X 1] op 2 mei geschorst. Vervolgens heeft Sortiva [Y6] op 3 mei 2016 op staande voet ontslagen. Met [X 1] heeft Sortiva op 10 mei 2016 een gesprek gevoerd, waarbij zij heeft aangegeven dat voor haar de maat vol is en dat zij het voornemen heeft om tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen. [X 1] heeft niet ingestemd met een beëindiging en hij heeft aangegeven dat hij zijn werkzaamheden wenst voort te zetten.
4.Het verweer en het tegenverzoek
5.De beoordeling
Stcrt.2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).
Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Sortiva heeft weliswaar verwijtbaar gehandeld door niet zorg te dragen voor een schriftelijke vastlegging van de met [X 1] ter zake zijn houding en gedrag gevoerde (functionerings-)gesprekken, maar voor het overige heeft zij naar het oordeel van de kantonrechter gedaan wat van een goed werkgever in de gegeven omstandigheden verwacht mocht worden. Van een ernstig verwijtbaar handelen van Sortiva is geen sprake.