ECLI:NL:RBNHO:2016:11288

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 juli 2016
Publicatiedatum
1 maart 2017
Zaaknummer
16.003488
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • J.M. Sassenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 2 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 141 SrArt. 285 SrArt. 8 EVRM
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaren tegen DNA-onderzoek jeugdige veroordeelde ongegrond verklaard

De rechtbank Noord-Holland behandelde op 18 juli 2016 het bezwaarschrift van een jeugdige veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel na afname van celmateriaal op bevel van de officier van justitie.

De veroordeelde voerde aan dat het disproportioneel was om zijn DNA te verwerken gezien de aard van de misdrijven en omstandigheden, en dat er geen reëel gevaar voor recidive bestond. Hij stelde dat de zaak ook buiten de kinderrechter had kunnen worden afgedaan en dat hij niet onnodig mocht worden gecriminaliseerd.

De officier van justitie stelde dat het bezwaarschrift ongegrond moest worden verklaard omdat er geen uitzonderingssituatie was en de veroordeelde een taakstraf met een voorwaardelijk deel en agressietraining opgelegd had gekregen.

De rechtbank oordeelde dat het bevel tot DNA-afname rechtmatig was op grond van artikel 2 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en dat het DNA-onderzoek van belang kon zijn voor de opsporing en voorkoming van toekomstige strafbare feiten. Er was geen generieke uitzondering voor minderjarigen en de omstandigheden van de misdrijven en het recidiverisico maakten het noodzakelijk.

De rechtbank verklaarde het bezwaarschrift daarom ongegrond en bevestigde het DNA-onderzoek.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen DNA-onderzoek van de jeugdige veroordeelde wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie Alkmaar
Enkelvoudige raadkamer
Registratienummer: 16.003488
Parketnummer: 15/190500-15
Uitspraakdatum: 18 juli 2016
Beschikking(art. 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden)

1.Ontstaan en loop van de procedure

Op 8 juni 2016 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een door mr. M.J. Bouwman ingediend bezwaarschrift van
[veroordeelde] ,veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende aan het [adres] ,
domicilie kiezende aan de Westzijde 154 te (1506 EK) Zaandam, ten kantore van mr. M.J. Bouwman, advocaat,
Het bezwaarschrift is gericht tegen het nader bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, ten behoeve waarvan op bevel van de officier van justitie te Haarlem van 19 april 2016 op
25 mei 2016bij veroordeelde celmateriaal is afgenomen.
Op 4 juli 2016 is dit bezwaarschrift in raadkamer behandeld.
Veroordeelde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Bouwman, voornoemd.
Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. M.M. van den Berg.
Van het verhandelde in raadkamer is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.

2.Standpunt veroordeelde

Het bezwaarschrift strekt ertoe, dat de rechtbank de officier van justitie zal bevelen ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van veroordeelde terstond wordt vernietigd.
Daartoe wordt zakelijk weergegeven
onder meeraangevoerd, dat:
  • Het disproportioneel is het DNA van veroordeelde te verwerken en op te slaan gelet op aard misdrijf en omstandigheden.
  • In het arrest HR 13 mei 2008 is vermeld dat er geen generieke uitzondering is voor minderjarigen. Uit jurisprudentie van rechtbanken blijkt echter dat bezwaarschriften van jeugdigen wel gegrond worden verklaard in verband met de belangenafweging (ECLI:RBNHO:2016:3094, ACLI:RBNHO:2015:11813 en ECLI:RBDHA:2016:1978).
  • Er is hier sprake van een bijzondere situatie als bedoeld in artikel 2 lid 1 onder Pro b van de Wet DNA.
  • Gelet op aard van het misdrijf is niet aannemelijk dat het bepalen of verwerken van het profiel van betekenis zal kunnen zijn voor voorkoming, opsporing, vervolging of berechting van strafbare feiten van veroordeelde. De openbaar geweld zaak ging over een relletje op de voetbalclub, waar over en weer werd geslagen. De bedreiging met een mes vond plaats toen een vader van een vriendje de woning van verdachte binnenkwam om achter de verblijfplaats van zijn zoon te komen.
  • Geen gevaar voor recidive gelet op de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd. In beide zaken speelde dat veroordeelde omging met jongens die veel problemen hadden. Veroordeelde heeft het contact met deze jongens nadien verbroken.
  • Veroordeelde wil beveiliger worden. Van belang is dat hij niet onnodig wordt gecriminaliseerd.
  • De starfzaak had buiten de kinderrechter kunnen worden afgedaan, in welk geval de veroordeelde dan geen celmateriaal had hoeven afstaan.
  • Indien het volwassenenstrafrecht zou zijn toegepast en de zaak bij de politierechter zou zijn aangebracht, zou volstaan zijn met de oplegging van een geldboete aan veroordeelde en had hij geen celmateriaal hoeven afstaan.

3.Standpunt officier van justitie

Het standpunt van de officier van justitie luidt, zakelijk weergegeven, dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard. Veroordeelde heeft een flinke straf opgelegd gekregen met een behoorlijk traject in de voorwaardelijke sfeer. Er is geen sprake van een uitzonderingssituatie als genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet).

4.Beoordeling

Het bevel van de officier van justitie tot afname van DNA materiaal van 19 april 2016 is gegrond op artikel 2, eerste lid, van de Wet, waarbij als grondslag heeft gediend de veroordeling van veroordeelde op 10 december 2015 door de kinderrechter in deze rechtbank ter zake de van artikelen 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Veroordeelde heeft op 25 mei 2016 middels afname van wangslijmvlies celmateriaal afgestaan ten behoeve van DNA-onderzoek.
Het bezwaarschrift dat veroordeelde heeft ingediend tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel is tijdig ingediend.
Ingevolge artikel 8 EVRM Pro heeft belanghebbende het (grond)wettelijke recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat alleen dan inbreuk op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam kan worden gemaakt, indien zulks bij of krachtens wet is voorzien. Nu artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in het afnemen van celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek voorziet, is er geen sprake van schending van artikel 8 EVRM Pro.
In op 13 mei 2008 gewezen arresten stelt de Hoge Raad voorop dat tekst, alsmede doel en strekking van de Wet als uitgangspunt hebben dat bij
iedere veroordeeldeals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is
verplichteen daartoe strekkend bevel te geven,
tenzijzich één van de in het eerste lid genoemde - en beperkt uit te leggen - uitzonderingen voordoet.
Voor een generieke uitzondering voor minderjarigen bestaat geen ruimte. Zodanige generieke uitzondering kan ook niet aan het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind worden ontleend.
De in artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet genoemde uitzondering doet zich niet voor, nu niet gebleken is dat reeds een DNA-profiel van veroordeelde is verwerkt.
De rechtbank dient derhalve, op grond van artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet, te beoordelen of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Ten aanzien van deze uitzonderingsgrond geldt, dat in de aard van het ten laste van veroordeelde bewezen verklaarde misdrijven van artikelen 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, noch in de omstandigheden waaronder de misdrijven zijn gepleegd, grond kan worden gevonden om te concluderen dat DNA-onderzoek niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Immers, veroordeelde heeft in korte tijd twee agressiedelicten gepleegd, op grond waarvan niet zonder meer kan worden gesteld dat uitgesloten moet worden geacht dat in de toekomst DNA-onderzoek niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van veroordeelde. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat bij oplegging van de taakstraf door de kinderrechter ook een voorwaardelijk deel is bepaald met als bijzondere voorwaarden: toezicht van de reclassering en het verplicht volgen door veroordeelde van een ambulante behandeling in de vorm van een agressietraining. Klaarblijkelijk heeft de kinderrechter – anders dan de raadsman stelt -, een recidiverisico aangenomen.
Nu een afweging van de persoonlijke belangen van de veroordeelde enerzijds en het algemeen maatschappelijk belang anderzijds, blijkens de arresten van de Hoge Raad, bij de beoordeling niet aan de orde is, dient met inachtneming van de betrekkelijke wetsartikelen te worden beslist als volgt.

5.5. Beslissing

De rechtbank:
verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

6.Samenstelling enkelvoudige kamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door:
mr. J.M. Sassenburg, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.M.A. van der Meij, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2016.