ECLI:NL:RBNHO:2016:1148
Rechtbank Noord-Holland
- Beschikking
- S.B. Rip
- Rechtspraak.nl
Toekenning transitievergoeding aan werknemer na beëindiging arbeidsovereenkomst
De werknemer, werkzaam sinds 1984 bij de werkgever en laatstelijk als administratief medewerkster, verzocht om een transitievergoeding na beëindiging van haar arbeidsovereenkomst per 31 december 2015. De werkgever voerde onder meer aan dat de B.V. was ontbonden, dat er sprake was van financieel onvermogen, en dat contractueel geen afvloeiingsvergoeding verschuldigd zou zijn bij staking van de onderneming.
De kantonrechter oordeelde dat de ontbinding van de B.V. niet tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek leidt, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad. Tevens werd geoordeeld dat de regeling voor kleine werkgevers niet van toepassing is omdat de resultaten uit 2012 positief waren en dus meewegen. De arbeidsovereenkomst bestond sinds 1984 en bleef ook tijdens het huwelijk van de werknemer met de bestuurder van kracht, waardoor alle jaren meetellen voor de vergoeding.
De kantonrechter verwierp het verweer dat alleen de jaren vanaf 2010 meetellen, en ook het argument dat de werknemer geen recht zou hebben op vergoeding vanwege de contractuele bepaling bij staking van de onderneming. Deze bepaling was onduidelijk en niet verenigbaar met de wettelijke regeling. De berekening van de werknemer van €43.722,36 werd niet betwist en daarom toegewezen. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening genomen.
Uitkomst: De werknemer krijgt een transitievergoeding van €43.722,36 toegekend na beëindiging van haar arbeidsovereenkomst per 31 december 2015.