ECLI:NL:RBNHO:2016:1412

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 januari 2016
Publicatiedatum
22 februari 2016
Zaaknummer
4781611 / AO VERZ 16-4
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b lid 1 onderdeel a BWArt. 7:669 lid 3 onderdeel d BWArt. 7:671b lid 8 onderdeel a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ongeschiktheid werknemer zonder herplaatsingsmogelijkheid

De Stichting Confessioneel Primair Onderwijs Waterland verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer wegens diens ongeschiktheid om zijn functie naar behoren uit te voeren, anders dan door ziekte of gebreken veroorzaakt. De werknemer erkende zelf zijn ongeschiktheid en gaf aan dat herplaatsing niet mogelijk was.

De kantonrechter stelde vast dat partijen het eens waren over het ontbreken van een reële voortzetting van de arbeidsovereenkomst en de onmogelijkheid tot herplaatsing. Op grond hiervan werd de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 mei 2016, met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden.

Er werd geen vergoeding toegekend en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2016.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 mei 2016 wegens ongeschiktheid van de werknemer zonder herplaatsingsmogelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht
Sectie Kanton - locatie Zaanstad
Zaaknr./rolnr.: 4781611 / AO VERZ 16-4
Uitspraakdatum: 29 januari 2016
Beschikking in de zaak van:
De Stichting Confessioneel Primair Onderwijs Waterland,
gevestigd te Purmerend
verzoekende partij
verder te noemen: De Stichting
gemachtigde: mr. M. De Vita
tegen
[naam],
wonende te [plaats]
verwerende partij
verder te noemen: [de werknemer]
gemachtigde: mr. N.D.R. Toirkens

1.Het procesverloop

1.1.
De Stichting heeft een verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [de werknemer] heeft een verweerschrift ingediend.

2.De beoordeling

2.1.
De Stichting verzoekt de arbeidsovereenkomst met [de werknemer] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Aan dit verzoek legt De Stichting ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – ongeschiktheid van [de werknemer] tot het verrichten van de bedongen arbeid, anders dan ten gevolge van ziekte of gebreken van [de werknemer]. Herplaatsing van [de werknemer] is niet meer mogelijk.
2.2.
[de werknemer] heeft erkend dat hij niet meer in staat is om op de juiste wijze invulling en uitvoering aan zijn functie te geven en dat hij ongeschikt is voor zijn functie. Ook [de werknemer] ziet geen mogelijkheden meer voor herplaatsing.
2.3.
Nu [de werknemer] heeft erkend dat hij ongeschikt is voor zijn functie, partijen het erover eens zijn dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet reëel is en herplaatsing van [de werknemer] niet meer mogelijk moet worden geacht, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen is immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid Pro 3, onderdeel d, BW, en is er geen mogelijkheid tot herplaatsing van [de werknemer].
2.4.
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een opzegtermijn van drie maanden. Daarvan uitgaande zal de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW worden ontbonden met ingang van 1 mei 2016.
2.5.
Nu aan de ontbinding geen vergoeding wordt verbonden, hoeft de werkgever geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.
2.6.
Gezien de uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 mei 2016;
3.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
3.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter en op 29 januari 2016 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter