ECLI:NL:RBNHO:2016:2069

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
26 februari 2016
Publicatiedatum
14 maart 2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1265
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijstelling van overdrachtsbelasting voor bedrijfsmatige exploitatie van cultuurgrond

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 26 februari 2016 uitspraak gedaan in een geschil over de vrijstelling van overdrachtsbelasting. Eiser, die schapen en later ook koeien houdt, heeft op 15 februari 2012 het recht van erfpacht verkregen op een perceel grond dat als cultuurgrond wordt aangemerkt. De rechtbank oordeelt dat op het moment van het verlijden van de akte al sprake was van bedrijfsmatige exploitatie, waardoor eiser in aanmerking komt voor de vrijstelling van overdrachtsbelasting. De inspecteur van de Belastingdienst had eerder een naheffingsaanslag opgelegd, die eiser aanvecht. De rechtbank concludeert dat eiser voldoet aan de voorwaarden voor de vrijstelling, ondanks dat hij in de jaren voorafgaand aan de akte niet als ondernemer geregistreerd stond en geen winst of verlies uit onderneming had aangegeven. De rechtbank vernietigt de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente, en verklaart het beroep van eiser gegrond. De proceskosten worden vergoed.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer: HAA 15/1265

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 februari 2016 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. W.J.M. Overtoom),
en

de inspecteur van de Belastingdienst/ [P] , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 21 maart 2014 een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting (aanslagnummer [# 1] ) opgelegd van € 3.753. Voorts is bij afzonderlijke beschikking € 137 aan heffingsrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verzonden aan verweerder.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2016 te Haarlem.
Eiser is verschenen, bijgestaan door gemachtigde voornoemd. Namens verweerder zijn verschenen [A] en [B] .

Overwegingen

Feiten
1. Op 15 februari 2012 is een notariële akte verleden. Eiser en zijn echtgenote, mevrouw [C] , hebben volgens deze akte het recht van erfpacht verkregen op een perceel weiland gelegen aan de [locatie 1] , kadastraal bekend gemeente [Z] , sectie [# 2] , nummer [# 3] . In deze akte is een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder q, van de Wet op belastingen van Rechtsverkeer (hierna: WBR).
2. Op 1 december 2011 hebben eiser en zijn echtgenote reeds een woonhuis met gebouwen, ondergrond, erf, tuin, verdere aanhorigheden en cultuurgrond, plaatselijk bekend als [locatie 2] geleverd gekregen.
3. Eiser stond in 2012 niet als ondernemer geregistreerd bij de belastingdienst en ook niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Vanaf 16 april 2014 staat eiser ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.
4. Eiser heeft in 2011 en 2012 in de aangifte inkomstenbelasting geen winst of verlies uit onderneming of het hebben van een agrarische onderneming aangegeven. In 2013 vermeldt de aangifte inkomstenbelasting een negatief resultaat uit onderneming.
5. Eiser heeft in 2012 een fulltime dienstverband (33 uur per week) bij [D] . Hij werkt in ploegendienst.
6. Eiser houdt het volgende aantal schapen:
2005 2
2006 15
2007 30
2008 45
2009 70
2010 90
2011 90
2012 150
2013 200
2014 250
7. Eiser heeft in 2012 1679 uren aan de agrarische werkzaamheden besteed.
8. Eiser heeft in 2012 geïnvesteerd in de schapenhouderij door het aanhouden van een grotere groep schapen en de aanschaf van diverse machines zoals een landbouwwagen, een schudder en een drinkautomaat voor lammeren.

Geschil9. In geschil is of op het tijdstip van het verlijden van de akte (15 februari 2012) voldaan werd aan de voorwaarden voor de vrijstelling van overdrachtsbelasting zoals neergelegd in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder q, van de WBR. Hierbij is specifiek in geschil of sprake was van bedrijfsmatige exploitatie.

10. Eiser stelt zich op het standpunt dat aan de voorwaarden van bedrijfsmatige exploitatie werd voldaan.
Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente.
11. Verweerder stelt dat geen sprake was van bedrijfsmatige exploitatie door een agrarische onderneming, zodat niet voldaan werd aan de voorwaarde voor vrijstelling van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder q, van de WBR.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
12. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder q, van de WBR is van de belasting vrijgesteld de verkrijging van ten behoeve van de landbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder begrepen de rechten van erfpacht daarop.
13. Tussen partijen is niet in geschil dat het onderhavige perceel [locatie 1] is aan te merken als cultuurgrond. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser de gronden bedrijfsmatig exploiteert.
14. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de eis dat de grond bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw moet worden geëxploiteerd, ertoe strekt de verkrijging voor privé-doeleinden én de bedrijfsmatige verkrijging ten behoeve van niet-landbouwdoeleinden uit te sluiten van de vrijstelling (zie Kamerstukken II 2005/06, 30 572, nr. 9, blz. 17). Een dergelijke voorwaarde was ook al aan de orde in de voorloper van de wettelijke bepaling, namelijk in artikel 6a van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer. In de toelichting is deze voorwaarde als volgt toegelicht: ‘Bedrijfsmatige exploitatie brengt mee dat sprake moet zijn van een agrarische onderneming. (...) Deze vereisten zijn nodig teneinde een onbedoelde uitbreiding van de vrijstelling te voorkomen. Zo verhindert het criterium van bedrijfsmatige exploitatie dat degene die uit liefhebberij landerijen exploiteert, gebruik maakt van de vrijstelling. (...)’ (Besluit van 14 december 2000 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer, Stb. 2000, 565).
15. De Hoge Raad heeft in de uitspraak van 4 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6283, beslist dat van bedrijfsmatige exploitatie alleen sprake kan zijn wanneer met een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal aan het maatschappelijk productieproces wordt deelgenomen met het oogmerk winst te behalen. Bij afwezigheid van een winstoogmerk kan er in de visie van de Hoge Raad dus geen sprake zijn van bedrijfsmatige exploitatie.
16. Uit de onder 1 tot en met 8 genoemde feiten en hetgeen eiser ter zitting onbetwist heeft verklaard is het volgende gebleken. Eiser was al langere tijd voornemens om een onderneming op te starten door onder andere de uitbreiding van de al aanwezige veestapel. De uitbreiding van de veestapel was in eerste instantie niet mogelijk door problemen met de verkoop van de toenmalige eigen woning en het feit dat een geschikt stuk land door een projectontwikkelaar werd gekocht. In 2011 heeft eiser met zijn echtgenote uiteindelijk de toenmalige eigen woning kunnen verkopen. Vervolgens heeft eiser met zijn echtgenote een woning gekocht aan de [locatie 1] . Dit betreft een woning met onder andere twee stallen en cultuurgrond. De cultuurgrond werd ten tijde van de aankoop gebruikt voor de verbouw van sjalotten en in de akte van levering is opgenomen dat het eiser bekend is dat voor het seizoen 2011 en 2012 deze cultuurgrond wordt verhuurd voor de verbouw van sjalotten. In december 2011 is de woning met bijgebouwen en grond geleverd. Eiser is toen begonnen met het klaarmaken van een van de stallen voor het onderbrengen van de schapen. Vanaf eind januari 2012 is de stal daadwerkelijk in gebruik genomen voor het stallen van schapen. De andere stal was geschikt voor het houden van koeien, zodat eiser na aankoop op zoek is gegaan naar de mogelijkheid tot het houden van koeien. Eiser heeft medio 2012 afspraken gemaakt met een andere onderneming om voor die onderneming tegen een dagtarief koeien op te fokken. Nadat de verhuur van de grond voor de verbouw van sjalotten in 2012 was afgelopen, heeft eiser deze grond omgevormd tot grasland voor het houden van de schapen. Daarnaast heeft eiser vanaf 2009 het gebruiksrecht van enkele stukken grond op een dijk in [F] . Deze grond wordt door het [G] aan eiser in gebruik gegeven. Als de schapen op de dijk staan, wordt het gras van de cultuurgrond aan de [locatie 1] geoogst om in de winter als voer te dienen voor de schapen.
Ten tijde van de aankoop van de woning met stallen en cultuurgrond bestond voor eiser reeds zicht op de mogelijkheid om de grond aan de [locatie 1] te gaan pachten.
De grond aan de [locatie 1] en [locatie 2] was in 2011 in eerste instantie van dezelfde eigenaar. Aankoop van het perceel cultuurgrond [locatie 1] was voor eiser financieel niet mogelijk, pachten wel. Toen zich een andere koper zich aandiende ( [E] ) is de grond aan die koper verkocht en afgesproken dat eiser de cultuurgrond van die koper kon gaan pachten. Dit recht van erfpacht verkreeg eiser op 15 februari 2012. Deze grond heeft eiser vanaf die datum gebruikt voor het houden van schapen. Vervolgens is de veestapel vanaf 2012 fors toegenomen.
In 2012 heeft eiser met incidentele hulp van zijn echtgenote en familie 1679 uur besteed aan het houden van de schapen en koeien.
17. Uit vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat op 15 februari 2012 al sprake was van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid. Eiser had op dat moment al het gebruik over stukken grond op de dijk en had reeds in december 2011 stallen en cultuurgrond verkregen, die alle werden gebruikt dan wel werden klaargemaakt voor het houden van schapen en koeien. Daarnaast heeft eiser geïnvesteerd door aanschaf van de stallen en de cultuurgrond aan de [locatie 2] , de aanschaf of het behouden van meer dieren door de vrouwelijke lammeren niet meer te verkopen, de aanschaf van machines en uiteindelijk door de pacht van de [locatie 1] . Niet in geschil is daarbij dat eiser naast zijn baan bij [D] een significante hoeveelheid tijd besteedde aan het houden van deze schapen en koeien. Op de momenten dat eiser zelf deze arbeid niet kon leveren hebben zijn echtgenote en andere familieleden deze werkzaamheden incidenteel overgenomen.
18. Vervolgens dient nog de vraag beantwoord te worden of aan het economisch verkeer werd deelgenomen met het oogmerk winst te behalen. Niet in geschil is dat, om winst te behalen, de veestapel een bepaalde omvang dient te hebben. Alhoewel eiser al langer het voornemen had om van zijn hobby daadwerkelijk een onderneming te maken was dit vóór 2011 niet mogelijk. Vóór 2011 was winst niet te verwachten omdat de veestapel een dergelijke omvang niet had en gelet op de toentertijd aanwezige grond ook niet tot een dergelijke omvang kon groeien. Deze situatie veranderde in 2011 door de aankoop van de woning met de stallen en de cultuurgrond aan de [locatie 2] en het uitzicht dat er toen al bestond op de pacht van de grond aan de [locatie 1] . Door de uitbreiding van de grond die geschikt was of kon worden gemaakt voor het houden van schapen en de verkrijging van de stallen kon eiser de veestapel dusdanig doen toenemen dat vanaf eind 2011 aan het economisch verkeer werd deelgenomen met het oogmerk winst te behalen. Dit voornemen komt tot uitdrukking in hetgeen eiser ter zitting heeft verklaard, maar blijkt ook uit objectieve feiten. De grond en de stallen zijn alle geschikt gemaakt voor het houden van de schapen en koeien en de veestapel is sindsdien daadwerkelijk gegroeid tot een omvang waarbij daadwerkelijk winst verwacht kan worden. De rechtbank komt op grond van deze feiten dan ook tot het oordeel dat vanaf december 2011 sprake is van bedrijfsmatige exploitatie. Dat eiser zich pas later heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en in 2012 in de aangifte inkomstenbelasting nog geen (negatief) resultaat uit onderneming heeft aangegeven maakt vorenstaande niet anders. Deze gegevens zijn immers niet leidend voor de beantwoording van de vraag of sprake is van bedrijfsmatige exploitatie. Eiser voldoet derhalve aan de voorwaarden voor de vrijstelling van overdrachtsbelasting zoals neergelegd in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder q, van de WBR op het tijdstip van het verlijden van de akte op 15 februari 2012. De naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrenten dienen derhalve te worden vernietigd.
19. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Proceskosten
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Overige proceskosten zijn gesteld noch gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting en de beschikking heffingsrente;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, en mr. M.H.L.C. Bijvoet en mr. M.C. van As, leden, in aanwezigheid van mr. J.J. Graanstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2016.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,
1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.