ECLI:NL:RBNHO:2016:3555

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 april 2016
Publicatiedatum
29 april 2016
Zaaknummer
15/251827-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 2 Wet DNA-onderzoek bij veroordeeldenArt. 12 Wetboek van StrafvorderingArt. 302 SrArt. 45 Sr
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaren tegen DNA-profielopslag na veroordeling wegens mishandeling afgewezen

Op 8 december 2015 werd veroordeelde door de politierechter veroordeeld voor mishandeling en kreeg zij een werkstraf van 40 uur opgelegd. Veroordeelde stelde dat het delict een eenmalig incident was, zij geen strafblad had en dat zij nooit eerder met justitie in aanraking was gekomen. Zij maakte bezwaar tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel, omdat zij meende dat dit niet noodzakelijk was gezien haar persoonlijke omstandigheden en de aard van het delict.

De rechtbank behandelde het bezwaarschrift op 11 april 2016, waarbij veroordeelde in persoon verscheen en werd bijgestaan door haar advocaat. De officier van justitie voerde aan dat de wet weinig ruimte biedt voor uitzonderingen en dat het belang van opsporing en vervolging zwaarder weegt dan de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde.

De rechtbank oordeelde dat het bevel tot afname van DNA-materiaal op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden rechtmatig was. De rechtbank vond geen grond om een uitzondering toe te passen, ondanks het eenmalige karakter van het delict, de lage strafmaat en het blanco strafblad. De rechtbank achtte zich gebonden aan de beslissing van de politierechter en wees het bezwaarschrift af. Mocht het hoger beroep tot een andere uitkomst leiden, dan kan het DNA-materiaal alsnog worden vernietigd.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie Alkmaar
Enkelvoudige raadkamer
Registratienummer: RK 16-001708
Parketnummer: 15/251827-14
Uitspraakdatum: 25 april 2016
Beschikking(art. 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden)

1.Ontstaan en loop van de procedure

Op 11 maart 2016 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een door mr. D. Fontein ingediend bezwaarschrift, gedateerd 11 maart 2016 van
[veroordeelde] ,veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
domicilie kiezende te (1541 KC) Koog aan de Zaan, Lagedijk 64A, ten kantore van mr. D. Fontein, advocaat,
Het bezwaarschrift is gericht tegen het nader bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, ten behoeve waarvan op bevel van de officier van justitie te Haarlem van 18 januari 2016 op
8 maart 2016bij veroordeelde celmateriaal is afgenomen.
Op 11 april 2016 is dit bezwaarschrift in raadkamer behandeld.
Veroordeelde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. D. Fontein, voornoemd.
Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. H.F. Tillart.

2.Standpunten

Het standpunt van veroordeelde komt er - zakelijk weergegeven - op neer, dat het bezwaarschrift om de volgende redenen gegrond moet worden verklaard.
Op 8 december 2015 is klaagster door de politierechter in het arrondissement Noord- Holland, veroordeeld ter zake van mishandeling tot een werkstraf voor de duur van 40 uren.
Klaagster is van oordeel dat zij ten onrechte is veroordeeld. De rechtbank heeft ten
onrechte het beroep op noodweer verworpen. Klaagster heeft appel ingesteld. Het is nog niet bekend wanneer het appel behandeld zal worden.
Klaagster is nooit eerder in aanraking gekomen met justitie en ook in de periode die inmiddels is verstreken na onderhavig incident niet met politie en justitie in aanraking geweest. Gezien haar leeftijd, zal dat
ook niet meer gebeuren. Ook met de omstandigheden van het geval en de lage straf
moet rekening gehouden worden. Zij heeft meegewerkt aan het onderzoek. Het vorenstaande brengt met zich mee dat er geen aanwijzingen zijn dat er ten aanzien van de veroordeelde sprake is van een reële verwachting dat zij in de toekomst andere misdrijven zal begaan. Het bewezen verklaarde delict moet worden aangemerkt als een eenmalig incident.Alles bij elkaar maakt dat in dit geval de belangenafweging in het voordeel van veroordeelde dient uit te vallen.
Het standpunt van de officier van justitie luidt, zakelijk weergegeven, dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard.
Er is in de wet weinig ruimte voor beoordeling van het beroep op de in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden genoemde uitzonderingen.
Een slachtoffer van het feit waarvoor [veroordeelde] werd veroordeeld heeft een klacht ex artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering ingediend omdat het Openbaar Ministerie er vanaf heeft gezien haar te vervolgen wegens diefstal. De politierechter heeft bij het bepalen van de strafmaat rekening gehouden met de mogelijkheid van recidive. De omstandigheid dat het vonnis niet onherroepelijk is en door [veroordeelde] appel is ingesteld is geen reden om geen DNA-profiel van haar op te laten slaan.

3.Beoordeling

Het bevel van de officier van justitie tot afname van DNA materiaal van 18 januari 2016 is gegrond op artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet), waarbij als grondslag heeft gediend de veroordeling van [veroordeelde] , voornoemd, op 8 december 2015 door de politierechter in deze rechtbank ter zake van onder meer artikel 302 jo Pro 45 van het Wetboek van Strafrecht, meermalen gepleegd.
Veroordeelde heeft op 8 maart 2016 middels afname van wangslijmvlies celmateriaal afgestaan ten behoeve van DNA-onderzoek.
Het bezwaarschrift dat veroordeelde heeft ingediend tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel is tijdig ingediend.
Ingevolge artikel 8 EVRM Pro heeft belanghebbende het (grond)wettelijke recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat alleen dan inbreuk op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam kan worden gemaakt, indien zulks bij of krachtens wet is voorzien. Nu artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in het afnemen van celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek voorziet, is er geen sprake van schending van artikel 8 EVRM Pro.
In op 13 mei 2008 gewezen arresten stelt de Hoge Raad voorop dat tekst, alsmede doel en strekking van de Wet als uitgangspunt hebben dat bij
iedere veroordeeldeals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is
verplichteen daartoe strekkend bevel te geven,
tenzijzich één van de in het eerste lid genoemde - en beperkt uit te leggen - uitzonderingen voordoet.
De in artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet genoemde uitzondering doet zich niet voor, nu niet gebleken is dat reeds een DNA-profiel van veroordeelde is verwerkt.
De rechtbank dient derhalve, op grond van artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet, te beoordelen of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Ten aanzien van deze uitzonderingsgrond geldt, dat in de aard van het ten laste van veroordeelde bewezen verklaarde misdrijf van artikel 302 jo Pro. 45 van het Wetboek van Strafrecht, noch in de omstandigheden waaronder dat misdrijf is gepleegd, grond kan worden gevonden om te concluderen dat DNA-onderzoek niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Ook wat betreft de aard van het misdrijf is van een uitzonderingsituatie derhalve geen sprake.
Hoewel alle door de verdediging genoemde omstandigheden zoals de leeftijd van veroordeelde, de strafmaat, het blanco strafblad, en de bijzondere omstandigheden waaronder het delict heeft plaatsgevonden, het zeer goed mogelijk maken dat het een eenmalig incident betreft, acht de rechtbank dit onvoldoende om een uitzondering op de regel te rechtvaardigen.
Daarbij acht de rechtbank zich gebonden aan de beslissing van de politierechter zoals die er nu ligt. Mocht in hoger beroep het Gerechtshof te Amsterdam tot een andere beslissing komen, wordt het afgenomen DNA-materiaal alsnog vernietigd.
Nu een afweging van de persoonlijke belangen van de veroordeelde enerzijds en het algemeen maatschappelijk belang anderzijds, blijkens de arresten van de Hoge Raad, bij de beoordeling niet aan de orde is, dient met inachtneming van de betrekkelijke wetsartikelen te worden beslist als volgt.

4.4. Beslissing

De rechtbank:
verklaart het bezwaarschrift ongegrond.

5.Samenstelling enkelvoudige kamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door:
mr. J. van Beek, rechter,
in tegenwoordigheid van W. Veenstra, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2016.