ECLI:NL:RBNHO:2016:3871

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 mei 2016
Publicatiedatum
11 mei 2016
Zaaknummer
C/15/236596 / FA RK 15-7741
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.M. van Dam
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:246 BWArt. 1:251a BWArt. 1:253n BWArt. 1:253q BWArt. 1:253r BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tijdelijke schorsing gezag vader wegens opname en contactverbod in belang kind

De moeder verzoekt de rechtbank om haar het eenhoofdig gezag over het kind toe te wijzen, omdat de vader opgenomen is in een verslavingskliniek en een langdurig contactverbod heeft, waardoor hij tijdelijk niet in staat is het gezag uit te oefenen. Het huwelijk van partijen is ontbonden en zij oefenden gezamenlijk gezag uit over het kind, dat bij de moeder woont.

De vader heeft een verslavingsprobleem en is in behandeling, maar de omgang met het kind is door de rechtbank eerder afgewezen vanwege de veiligheid van het kind. Een kort geding vonnis legde een straat- en contactverbod op aan de vader voor een jaar. De rechtbank overweegt dat het gezamenlijk gezag na echtscheiding blijft bestaan, maar kan dit wijzigen als het in het belang van het kind is.

De rechtbank stelt vast dat het tijdelijk onmogelijk is voor de vader om het gezag uit te oefenen vanwege zijn opname en het contactverbod. Daarom is het gezag van de vader van rechtswege geschorst en oefent de moeder voorlopig het gezag alleen uit. De zaak wordt aangehouden voor zes maanden in afwachting van het verloop van de behandeling, waarna een Raadsonderzoek zal worden overwogen.

Uitkomst: Het gezag van de vader wordt tijdelijk geschorst en de moeder oefent het gezag voorlopig eenhoofdig uit.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd
locatie Haarlem
gezag
zaak-/rekestnummer: C/15/236596 / FA RK 15-7741
Tussenbeschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 11 mei 2016
in de zaak van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M.A.M. Ansink, kantoorhoudende te Haarlem,
tegen
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. S. Akkas, kantoorhoudende te Haarlem.

1.Procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de moeder, met producties, ingekomen op 15 december 2015;
- het verweerschrift van de vader van 18 december 2015;
- het F9-formulier van 12 april 2016 van de advocaat van de vader, met bijlage.
1.2.
Partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 12 april 2016. De zaak is niet ter zitting behandeld, maar aangehouden op verzoek van de advocaat van de vader, omdat de vader buiten zijn schuld niet ter zitting aanwezig kon zijn.
1.3.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 15 april 2016 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming was [informant] als informant aanwezig. Tevens was ter zitting aanwezig [begeleider] , als begeleider van de vader.
1.4.
Namens de vader is ter zitting bezwaar gemaakt tegen het overleggen van een tussen partijen gewezen kort geding vonnis van 27 januari 2016. Dit bezwaar is ter zitting gepasseerd, aangezien de moeder dit stuk voor de inhoudelijke mondelinge behandeling van de zaak heeft ingediend en dit niet als onnodig grievend, of in strijd met de goede procesorde kan worden aangemerkt.

2.Feiten en omstandigheden

2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdatum] op het Marokkaanse consulaat in Amsterdam met elkaar gehuwd. Het huwelijk van partijen is op 23 juli 2014 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] in [geboorteplaats] een kind geboren, genaamd [kind] .
2.3.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind] . [kind] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.
2.4.
De vader heeft in de echtscheidingsprocedure verzocht om een zorgregeling vast te stellen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft op 13 maart 2014 een rapport uitgebracht, waaruit blijkt dat de Raad intensieve hulpverlening voor de vader bij zijn alcoholverslaving en drugsgebruik en het op orde stellen van zijn leven noodzakelijk vindt en hulpverlening ook nodig vindt om het contact tussen de vader met [kind] veilig te laten verlopen. Begeleide omgang kan volgens de Raad binnen het een door OCK/Het Spalier op te stellen veiligheidsplan plaatsvinden. Partijen zijn hiervoor doorverwezen naar Bureau Jeugdzorg en OCK/Het Spalier.
De rechtbank heeft het verzoek van de vader tot het vaststellen van een zorgregeling afgewezen bij (eind)beschikking van 9 september 2015, waarin is overwogen dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van [kind] , omdat uit het eindverslag van OCK het Spalier blijkt dat het drank- en middelengebruik van de vader nog steeds een belemmering vormt bij de omgang. De veiligheid van [kind] is niet gewaarborgd en omgang is naar het oordeel van de rechtbank pas aan de orde als de vader aan zijn verslavingsproblematiek gaat werken.
2.5.
Bij voormeld kort geding vonnis van 27 januari 2016 is de vader een verstrekkend straat- en contactverbod opgelegd voor de duur van een jaar.

3.Verzoek

De moeder heeft verzocht het gezamenlijk gezag te beëindigen en haar met het eenhoofdig gezag over [kind] te belasten.
De moeder is van mening dat wijziging van het gezag in het belang van [kind] is. Zij stelt dat nog steeds sprake is van ongecontroleerd drank- en middelengebruik bij de vader en dat hij ongeremd en agressief is en haar regelmatig lastig valt. Iedere vorm van contact tussen partijen is volgens de moeder onmogelijk, omdat de vader niet met haar in gesprek kan en wil gaan. De moeder acht het in het belang van [kind] dat zij zelfstandig beslissingen over haar kan nemen, zonder dat daarvoor contact met de vader noodzakelijk is.

4.Verweer

De vader verzet zich tegen de verzochte gezagswijziging en heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De vader stelt dat hij veel moeite heeft gehad met de scheiding en [kind] erg miste, waardoor hij in een neerwaartse spiraal terecht is gekomen. De vader erkent dat hij een verslavingsprobleem heeft, maar stelt dat hij daarvoor behandeld wordt. De vader stelt dat hij aan alles meewerkt en dat hij als zijn behandeling is afgerond weer in staat zal zijn om het gezag samen met de moeder uit te oefenen.

5.Beoordeling

5.1.
Uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders na scheiding gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen blijven uitoefenen. Indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, kan de rechter op verzoek van (één van) de ouders het gezamenlijk gezag - dat na echtscheiding van rechtswege blijft bestaan - op grond van het bepaalde in artikel 1:253n lid 1 juncto 1:251a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) - beëindigen en bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Uit artikel 1:253q lid 1 BW blijkt dat, wanneer één van de ouders die gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kind uitoefenen, daartoe op één van de in artikel 1:246 BW Pro genoemde gronden onbevoegd is, de andere ouder alleen het gezag over het kind uitoefent. Conform artikel 1:253r lid 1 aanhef en onder a is het bepaalde in artikel 1:253q BW van overeenkomstige toepassing, indien één van de ouders al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert het gezag uit te oefenen. Gedurende de tijd waarin deze omstandigheid zich voordoet, is het gezag van die ouder geschorst en wordt het gezag voortaan door de andere ouder alleen uitgeoefend.
5.2.
Ter zitting is gebleken dat de vader is opgenomen in een GGZ instelling in Heiloo in verband met een behandeling die als voorwaarde is opgelegd in het kader van een strafrechtelijke procedure. Uit informatie van de Raad is gebleken dat de behandeling nog tien maanden duurt, en dat daarna zal worden begonnen met het traject Signs of Safety bij OCK Het Spalier.
Ter zitting is voorts gebleken dat het voor de vader heel belangrijk is om het gezag over [kind] te houden. De vader heeft erop gewezen dat het in het belang van [kind] is dat zijn behandeling succesvol verloopt.
5.3.
Aangezien de vader grote waarde hecht aan (het behouden van) het ouderlijk gezag, acht de rechtbank het niet in zijn belang, maar ook niet in het belang van [kind] , om de vader het gezag in dit stadium van zijn behandeling te ontnemen.
5.4.
Gelet op de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, in het bijzonder het feit dat de vader is opgenomen in een verslavingskliniek en tot eind januari 2017 is verboden om contact met de moeder te hebben, in onderling verband en samenhang bezien, stelt de rechtbank echter vast dat het tijdelijk onmogelijk is voor de vader om het ouderlijk gezag uit te oefenen. Dit betekent dat het gezag van de vader op grond van artikel 1:253r in verbinding met artikel 1:253q BW van rechtswege is geschorst en de moeder het gezag over het kind voorlopig alleen uitoefent, in elk geval zolang de behandeling van de vader duurt.
5.5.
De rechtbank zal de zaak aanhouden voor een periode van zes maanden, in afwachting van het verloop van de behandeling van de vader. De advocaten van partijen dienen de rechtbank uiterlijk op na te melden pro forma datum schriftelijk te informeren over het verloop van de behandeling van de vader, zo mogelijk onderbouwd met informatie van zijn behandelaar(s). De rechtbank is voornemens om na afloop van deze periode - zonder nadere zitting - een Raadsonderzoek te gelasten, zoals ter zitting met partijen is besproken.

6.Beslissing

De rechtbank:
6.1.
stelt vast dat het gezag van de vader,
[de vader]voornoemd, over
[kind] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , is geschorst;
6.2.
houdt de zaak aan tot
2 november 2016 PRO FORMA;
6.3.
verzoekt de advocaten van partijen de rechtbank uiterlijk op voormelde pro forma datum te informeren over het verloop van de behandeling van de vader, zo mogelijk onderbouwd met schriftelijke informatie van zijn behandelaar(s);
6.4.
wijst er op dat de rechtbank daarna zal beslissen over het vervolg van de procedure.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. van Dam, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.P.M. van Dullemen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2016.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.