Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Bewijs
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
5.Strafbaarheid van verdachte
6.Motivering van de sanctie
7.Toepasselijke wettelijke voorschriften
8.Beslissing
acht (8) maanden;
Rechtbank Noord-Holland
Op 1 april 2016 werd verdachte bij een verscherpte controle op luchthaven Schiphol betrapt met twee flacons in zijn ruimbagage die waren gevuld met cocaïne. De totale hoeveelheid cocaïne bedroeg 887,2 gram. Verdachte ontkende opzet en stelde dat hij de flacons slechts voor een medeverdachte vervoerde. De medeverdachte verklaarde dat hij niets wist van de flacons in de bagage van verdachte en dat zij elkaar alleen van naam kenden.
De rechtbank oordeelde dat verdachte bekend moet zijn geweest met de inhoud van zijn bagage, gelet op het uitgangspunt dat passagiers verantwoordelijk zijn voor hun bagage. De verklaring van de medeverdachte werd als betrouwbaar beoordeeld, terwijl de verklaring van verdachte ongeloofwaardig werd geacht. Verdachte kon geen plausibel motief geven waarom de medeverdachte hem valselijk zou beschuldigen.
De rechtbank verklaarde het ten laste gelegde feit bewezen en kwalificeerde het als opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 en Pro 10 van de Opiumwet. Gezien de ernst van het feit en de hoeveelheid cocaïne die bestemd was voor handel, werd een vrijheidsstraf passend geacht.
De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 8 maanden, welke straf door de rechtbank werd opgelegd, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis had doorgebracht. Verdachte werd vrijgesproken van andere ten laste gelegde feiten die niet bewezen konden worden.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf voor het opzettelijk invoeren van 887,2 gram cocaïne via Schiphol.