In deze strafzaak heeft de rechter-commissaris op 23 mei 2016 het verzoek van de verdediging om een getuige te horen afgewezen, omdat het verhoor van deze getuige geen invloed zou hebben op de beslissing in de zaak. De verdediging stelde dat de getuige mogelijk kon verklaren wie de heroïne in de koffer had geplaatst, wat relevant zou zijn voor de vraag of de verdachte opzettelijk handelde.
De rechtbank heeft het bezwaarschrift van de verdachte tegen deze afwijzing behandeld op 8 juli 2016. De rechtbank oordeelde dat de rechter-commissaris het juiste criterium heeft toegepast, namelijk dat een onderzoekshandeling slechts wordt afgewezen als deze niet kan bijdragen aan een beslissing in de strafzaak. Gezien de feiten en jurisprudentie achtte de rechter-commissaris een voorwaardelijk opzet-constructie zeer voorstelbaar en onvoldoende onderbouwd dat het horen van de getuige tot een andere beslissing zou leiden.
De rechtbank bevestigde dat het horen van de getuige niet van belang is voor de strafzaak en verklaarde het bezwaarschrift ongegrond. Hiermee blijft de afwijzing van het verzoek tot getuigenverhoor in stand, waarmee de procedure voortgezet kan worden zonder deze getuige te horen.