Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Ontstaan en loop van de procedure
2.Beoordeling
3.Beslissing
met ingang van 6 september 2016.
Rechtbank Noord-Holland
Op 6 augustus 2016 werd klager betrapt op het rijden met 163 km/u op de Rijksweg A8, waar 100 km/u was toegestaan. De politie nam het rijbewijs in en de officier van justitie besloot tot inhouding voor twee maanden. Klager stelde via een klaagschrift dat de beslissing niet door een officier van justitie was genomen en dat deze slechts een 'stempelmachine' zou zijn.
De rechtbank stelde vast dat de beslissing wel degelijk door een officier van justitie was genomen en ondertekend. De rechtbank overwoog dat artikel 164 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 geen onderzoek door de officier van justitie vereist naar bijzondere omstandigheden voorafgaand aan de inhouding, mede gezien de wettelijke termijn van tien dagen voor het nemen van de beslissing.
Hoewel klager zijn rijbewijs dringend nodig heeft voor zijn werkzaamheden, verklaarde de rechtbank het klaagschrift gegrond met ingang van 6 september 2016, zodat het rijbewijs vanaf die datum moet worden teruggegeven. Dit laat ruimte voor een latere onvoorwaardelijke ontzegging in de strafzaak. De rechtbank verwierp het verweer dat de officier van justitie slechts een 'stempelmachine' is en bevestigde de rechtmatigheid van de inhouding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van het rijbewijs vanaf 6 september 2016.