De man verzocht de rechtbank om de kinderalimentatie, vastgesteld in een beschikking van 24 mei 2007, te verlagen tot € 50 per maand per kind wegens vermeerde financiële moeilijkheden sinds 2012. Hij stelde dat hij door teruglopende opdrachten zijn verplichtingen niet meer kon nakomen. De vrouw voerde verweer en betwistte de inkomensachteruitgang, stelde dat de man geen financiële bewijsstukken had overgelegd en dat zij daardoor niet adequaat kon reageren. Tevens verzocht zij om een proceskostenveroordeling.
De rechtbank constateerde dat de man pas acht maanden na het verzoekschrift een uitgebreide hoeveelheid stukken en draagkrachtberekeningen overlegde, waarbij de eerste berekening een hogere draagkracht liet zien dan de huidige alimentatie en de tweede berekening vlak voor de zitting een lagere draagkracht. De vrouw kon hierdoor pas op het laatste moment inhoudelijk verweer voeren. De rechtbank vond dat de man onvoldoende had onderbouwd dat zijn inkomen was gedaald, mede gelet op de omzetgegevens en dividenduitkering uit de overgelegde stukken.
De rechtbank oordeelde dat geen relevante wijziging van omstandigheden was aangetoond die een verlaging van de alimentatie rechtvaardigde. Tevens vond de rechtbank dat de man onnodig en zonder voorafgaand overleg de procedure had gestart, waardoor het redelijk was hem in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank wees het verzoek af en veroordeelde de man in de kosten van de procedure aan de zijde van de vrouw.