Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
mr. C.C.J. Tuip, advocaat te Amsterdam.
Rechtbank Noord-Holland
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen rechter-commissaris M. Woerdman, die had besloten het verhoor van verzoeker als verdachte te delegeren aan de Koninklijke Marechaussee (KMAR). Verzoeker betoogde dat de wijze waarop deze beslissing tot stand kwam en de uitlatingen van de rechter-commissaris op 14 juni 2017 de schijn van partijdigheid wekten.
De rechter-commissaris en de officier van justitie gaven aan dat de delegatie van het verhoor conform artikel 177 Sv Pro rechtmatig was en dat er geen sprake was van vooringenomenheid. De rechter-commissaris had voorafgaand aan haar beslissing contact gehad met de officier van justitie en andere betrokkenen, maar had de verdediging niet vooraf geïnformeerd omdat de inhoud van de communicatie geen nieuwe standpunten bevatte.
De rechtbank oordeelde dat de feiten en omstandigheden die verzoeker aanvoerde onvoldoende waren om te concluderen dat de rechter-commissaris onpartijdig zou zijn of dat er een objectieve schijn van partijdigheid bestond. De uitlatingen van de rechter-commissaris werden uitgelegd als een regieaanduiding en niet als desinteresse in de verklaring van verzoeker.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd het onderzoek voortgezet zoals het was ten tijde van het verzoek. Tegen deze beslissing stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris is afgewezen en het onderzoek wordt voortgezet.