Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[eiser1] ,
[eiser2],
1.[gedaagde1] ,
[gedaagde2],
[gedaagde3],
[gedaagde4],
[gedaagde5],
[gedaagde6],
[gedaagde7],
[gedaagde8],
[gedaagde9],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
Uit de hiervoor onder 2.4 aangehaalde passage uit het proces-verbaal van veiling uit 1916 blijkt dat perceel 1524 dienend erf is voor de onder 4.4 bedoelde erfdienstbaarheid van weg. Gelet op het bepaalde in artikel 5:76 BW Pro betekent dit dat het aan de gedaagden gezamenlijk toebehorende kadastrale perceel sectie AB nummer 543 thans dienend erf is voor de onder 4.4 bedoelde erfdienstbaarheid van weg.
Het bewijsaanbod wordt gepasseerd. Artikel 85 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt, voor zover hier van belang, dat de partij die zich bij akte op enig stuk beroept verplicht is een afschrift van het stuk bij te voegen. De verplichting geldt niet als de wederpartij verklaart geen afschrift te verlangen, maar dat is hier niet aan de orde. De verplichting van artikel 85 Rv Pro kan niet worden omzeild met een getuigenverklaring over de inhoud van het schriftelijk stuk. Aangezien het vonnis waarop [gedaagden] zich wensen te beroepen niet in het geding is gebracht en, bij gebreke van nadere gegevens, ook niet kan worden achterhaald, wordt op de stellingen daaromtrent geen acht geslagen.
De gevorderde dwangsom zal alleen worden toegewezen voor wat betreft de vordering sub XI. Uit de stellingen van [eisers] volgt immers dat het gebruik van de erfdienstbaarheden op de percelen van [gedaagden] feitelijk wordt gefrustreerd door de aanwezigheid van het hek van [gedaagden] Dit betekent dat met het verwijderen van het hek dan wel het verschaffen van de toegangscode van het hek de toegankelijkheid van de desbetreffende weg over de percelen van [gedaagden] voldoende is gewaarborgd, ook voor wat betreft het perceel in de vordering sub X. De dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als hierna vermeld.
€ 904,00(2 punten x tarief ad € 452,00)