ECLI:NL:RBNHO:2017:1472

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 februari 2017
Publicatiedatum
24 februari 2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 464
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
ParticipatiewetBesluit bijstandsverlening zelfstandigen
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen blokkering en intrekking bijstandsuitkering zelfstandige

Verzoekers ontvingen sinds september 2013 bijstand, nadat hun eerdere Bbz-uitkering was beëindigd vanwege een niet-levensvatbaar bedrijf. Naar aanleiding van een signaal over inkomsten uit zelfstandige werkzaamheden als rijschoolhouder, blokkeerde verweerder de uitkering en trok deze later in wegens het niet verstrekken van financiële gegevens.

Verzoekers stelden dat zij aan hun inlichtingenplicht voldeden en dat hun werkzaamheden bekend waren bij de inkomensconsulent. Verweerder betoogde dat verzoekers niet hadden gemeld dat het om meer dan marginale werkzaamheden ging.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekers sinds 2015 als zelfstandige werkzaam zijn en daarom geen recht hebben op bijstand op grond van de Participatiewet. Verweerder kan de grondslag van het besluit wijzigen en stelt dat bijstand op grond van de Bbz alleen kan worden verleend als de onderneming levensvatbaar is.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een voorlopige voorziening omdat het als zelfstandige werkzaam zijn het recht op bijstand uitsluit. Verzoekers moeten kiezen tussen zelfstandige voortzetting of beëindiging van het bedrijf om bijstand te kunnen ontvangen. Er is geen grond voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen blokkering en intrekking bijstandsuitkering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 17/464 en 17/735
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2017 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] en [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. J. Nijssen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk, verweerder

(gemachtigden: mr. M.E.T. van der Fluit en F. el Razouki).

Procesverloop

17/464
Verweerder heeft de betaling van de uitkering van verzoeker op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 oktober 2016 geblokkeerd. Verzoekers hebben op 25 januari 2017 bezwaar tegen de voortdurende blokkering ingediend. Tevens hebben zij op 25 januari 2017 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
17/735
Bij besluit van 26 januari 2017 heeft verweerder de Pw-uitkering van verzoekers met ingang van 1 oktober 2016 ingetrokken.
Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter op 6 februari 2017 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft in beide zaken plaatsgevonden op 13 februari 2017. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1
Verzoekers ontvingen sinds 1 september 2013 bijstand naar de norm van gehuwden. In de periode daarvoor ontvingen zij een uitkering op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz). Deze uitkering is beëindigd omdat het bedrijf van verzoeker, een rijschool, niet levensvatbaar bleek.
1.2
Naar aanleiding van een signaal dat verzoeker (weer) inkomsten heeft als zelfstandig rijschoolhouder heeft verweerder een onderzoek ingesteld. In het kader van dat onderzoek is verzoeker verzocht zijn financiële gegevens te tonen. Hangende het onderzoek van deze gegevens heeft verweerder de betaling van de uitkering geblokkeerd.
2. Het besluit van 26 januari 2017 is gebaseerd op het standpunt dat verzoekers niet hebben voldaan aan hun inlichtingenverplichting, omdat zij geen gegevens met betrekking tot de inkomsten uit de zelfstandige onderneming over de periode van 1 september 2014 tot 2 oktober 2016 hebben verstrekt.
3. Verzoekers hebben aangevoerd dat zij aan hun inlichtingenplicht hebben voldaan; er is steeds tijdig en volledig melding gemaakt van inkomsten, als die er waren. Verzoekers hebben erop gewezen dat verzoeker door zijn werkcoach gestimuleerd is zijn rijschool weer nieuw leven in te blazen en dat de inkomensconsulent ook volledig op de hoogte was van zijn activiteiten. Verder heeft verzoeker zijn werkzaamheden - net als in het verleden - nauwkeurig geadministreerd. Hij is er daarbij van uitgegaan dat die net als voorheen jaarlijks zouden worden gecontroleerd. Er zijn inmiddels financiële jaarverslagen beschikbaar over de jaren 2014, 2015 en 2016. Deze stukken zijn door verzoekers in het geding gebracht.
4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet van de omvang van de activiteiten op de hoogte was. Verzoekers hadden moeten melden dat het om meer dan marginale werkzaamheden ging.
5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
5.1
Ter zitting is naar voren gekomen dat verzoeker in elk geval vanaf 2015 weer als zelfstandig rijschoolhouder werkzaam was en dat ook nog steeds is. Zoals ter zitting is besproken betekent dit dat verzoekers niet in aanmerking kunnen komen voor bijstand op grond van de Pw. De wetgever heeft met het Bbz immers beoogd een sluitend systeem van bijstandsverlening aan zelfstandigen te bieden. Dit betekent dat aan een persoon die als zelfstandige in de zin van het Bbz wordt aangemerkt geen bijstand ingevolge de Pw toekomt.
5.2
Verweerder heeft ter zitting opgemerkt dat hij de grondslag van het besluit in bezwaar zou kunnen wijzigen, nu duidelijk geworden is dat verzoekers geen aanspraak kunnen maken op bijstand op grond van de Pw. Verweerder heeft verder naar aanleiding van hetgeen namens verzoekers naar voren is gebracht gesteld dat het met terugwerkende kracht verlenen van bijstand op grond van de Bbz niet mogelijk is.
5.3
Verweerder heeft er ter zitting voorts op gewezen dat verzoekers een keuze zullen moeten maken. Als verzoeker ervoor kiest als zelfstandige door te gaan bestaat geen recht op bijstand op grond van de Pw. Er zou in dat geval wel een nieuwe aanvraag kunnen worden gedaan voor een Bbz-uitkering, maar dan moet de onderneming nu wel levensvatbaar zijn. Indien verzoekers aanspraak willen maken op bijstand op grond van de Pw zal het bedrijf geheel beëindigd moeten worden.
5.4
Hoewel de grondslag van het besluit van 26 januari 2017 (schending inlichtingenplicht waardoor het recht op bijstand niet vastgesteld kan worden) naar het zich laat aanzien niet in stand zal blijven, zal dit naar verwachting niet leiden tot een materieel andere uitkomst in bezwaar. Zoals ter zitting is besproken is immers mogelijk dat verweerder als grondslag voor intrekking van de bijstand per 1 oktober 2016 het als zelfstandige werkzaam zijn zal hanteren. Nu tussen partijen geen verschil van mening bestaat over de kwalificatie van de werkzaamheden, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
6. Verzoekers hebben het oorspronkelijke verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet ingetrokken, omdat zij zich op het standpunt gesteld hebben dat eerst door het indienen van het bezwaar (en daaraan verbonden het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening) tegen de blokkering van de uitkering, verweerder het besluit tot intrekking van bijstand heeft genomen.
7. In deze omstandigheid ziet de voorzieningenrechter geen grond voor een proceskostenveroordeling. Van een geheel of gedeeltelijk tegemoet komen aan de bezwaren van verzoekers is immers geen sprake. De voorzieningenrechter beschouwt beide verzoeken als samenhangende zaken.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2017.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.